Hoofdstuk 9 van 11
Je auto in orde: banden, verlichting en onderhoud
Je auto en de onderdelen erop moeten goedgekeurd zijn en voor een auto met kenteken moet er een geldig, leesbaar keuringsbewijs zijn. Jij herkent dashboard-symbolen en controleert zelf basiszaken zoals banden, vloeistoffen, spiegels en accessoires, zodat je veilig met alle medeweggebruikers rijdt.
Waar het CBR naar vraagt: De eisen die aan de auto gesteld worden, en wat je zelf moet controleren en herkennen.
Niveau K. Je benoemt of herkent een feit of regel. Bijvoorbeeld: wat betekent dit bord?
Waarom je auto en onderdelen goedgekeurd moeten zijn
Voertuigen en onderdelen komen pas op de markt na goedkeuring; de RDW verleent of erkent die.
Je mag je auto, systemen, onderdelen, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen alleen verkopen als ze eerst zijn goedgekeurd. Zonder goedkeuring kan het met een ontheffing, vrijstelling of vergunning.
De Dienst Wegverkeer (RDW) verleent goedkeuring en erkent onder voorwaarden goedkeuringen uit andere landen. Een typegoedkeuring is toestemming voor een type voertuig of onderdeel.
Als de voorwaarden voor goedkeuring later veranderen, mag je ze nog op de markt brengen zolang je aan die voorwaarden voldoet. Uitzonderingen kan de minister in een ministeriële regeling aanwijzen.
In een auto-onderdelenwinkel biedt een verkoper dagrijverlichting aan zonder typegoedkeuring. Jij vraagt of er EU- of VN/ECE-goedkeuring op staat en kiest een goedgekeurd alternatief, omdat je onderdelen alleen op de markt brengt na goedkeuring, ontheffing, vrijstelling of vergunning.
Verwarring ontstaat tussen APK en typegoedkeuring; het keuringsbewijs zegt niets over onderdelen. Ook denken sommigen dat alleen RDW telt, terwijl EU- of VN/ECE-goedkeuring onder voorwaarden gelijk kan staan.
Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 211 Voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn ontworpen en gebouwd en voorzieningen die ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers zijn ontworpen en gebouwd worden slechts op de markt aangeboden of in de handel gebracht nadat ze zijn goedgekeurd, nadat ze zijn goedgekeurd met een ontheffing of vrijstelling of nadat hiervoor een vergunning is verleend. 2 De goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, kan zijn verleend als: a. EU-typegoedkeuring of individuele EU-goedkeuring indien wordt voldaan aan de daaraan gestelde eisen in de desbetreffende EU-verordening of -richtlijn in verband met de goedkeuring motorvoertuigen; b. nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring indien dit bij ministeriële regeling is bepaald en wordt voldaan aan de daaraan gestelde eisen in artikel 23, derde lid ; of c. VN/ECE-goedkeuring indien wordt voldaan aan de daaraan gestelde eisen in de desbetreffende geharmoniseerde technische reglementen als bedoeld in de Overeenkomst van 1958. 3 Een ontheffing, vrijstelling of vergunning als bedoeld in het eerste lid kan zijn verleend als: a. een ontheffing, vrijstelling of vergunning in verband met EU-typegoedkeuring of individuele EU-goedkeuring indien wordt voldaan aan de daaraan gestelde voorwaarden in de desbetreffende EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen; of b. een ontheffing, vrijstelling of vergunning in verband met een nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring voor zover dit bij ministeriële regeling is bepaald. 4 In afwijking van het eerste lid, worden voertuigen na wijziging van de voorwaarden voor goedkeuring, slechts op de markt aangeboden of in de handel gebracht: a. indien het betreft een EU-typegoedkeuring of individuele EU-goedkeuring, zolang wordt voldaan aan de daaraan gestelde voorwaarden op grond in de desbetreffende EU-verordening of -richtlijn in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen; b. indien het betreft een nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring, zolang wordt voldaan aan de daaraan bij ministeriële regeling gestelde voorwaarden; of c. indien het betreft een VN/ECE-goedkeuring zolang wordt voldaan aan de daaraan gestelde voorwaarden in de desbetreffende geharmoniseerde technische reglement als bedoeld in de Overeenkomst van 1958. 5 In afwijking van het eerste lid, worden bij ministeriële regeling gevallen genoemd waarin voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen niet aan goedkeuring onderhevig zijn voordat ze op de markt mogen worden aangeboden of in de handel mogen worden gebracht. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Wegenverkeerswet 1994, artikel 221 Een goedkeuring als bedoeld in artikel 21, eerste lid , of een ontheffing, vrijstelling of vergunning, bedoeld in artikel 21, derde lid, kan op aanvraag door de Dienst Wegverkeer worden verleend. 2 Een nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring die is afgegeven door een goedkeuringsinstantie van een andere lidstaat van de Europese Unie wordt door de Dienst Wegverkeer gelijkgesteld met een nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring indien wordt voldaan aan de voor gelijkstelling gestelde voorwaarden in de betreffende EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen. 3 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring die is verleend door het bevoegd gezag van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of die is verleend door het daartoe bevoegde gezag in Zwitserland indien dit voortvloeit uit de op 21 juni 1999 te Luxemburg tot stand gekomen Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wederzijdse erkenning van de overeenstemmingsbeoordeling (PbEG L 114). 4 Een EU-typegoedkeuring of individuele EU-goedkeuring, als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel a , of een ontheffing, vrijstelling of vergunning, bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel a, kan ook zijn verleend door een goedkeuringsinstantie van een andere lidstaat van de Europese Unie als bedoeld in een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen. 5 Een VN/ECE goedkeuring kan ook zijn verleend door het daartoe bevoegde gezag in een Staat die partij is bij de Overeenkomst van 1958. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Keuringsbewijs: wat de wet van je auto vraagt
Voor een auto of aanhangwagen waarvoor een kenteken is of moet zijn opgegeven, moet een geldig en leesbaar keuringsbewijs aanwezig zijn en bij rijden is ook de bestuurder aansprakelijk.
Heeft je motorrijtuig of aanhangwagen een kenteken, of moet dat, dan moet er een keuringsbewijs zijn afgegeven. Keuringsbewijs: bewijs dat het voertuig is goedgekeurd. Het keuringsbewijs moet voldoen aan de eisen die de RDW vaststelt en het mag niet verlopen zijn. Het moet goed leesbaar zijn. Bij overtreding zijn de eigenaar of houder aansprakelijk, en rijd je met het motorrijtuig, ook de bestuurder. Bij een aanhangwagen geldt dit voor eigenaar of houder en de bestuurder van het trekkende motorrijtuig.
Je staat op een parkeerterrein met een geleende aanhangwagen met kenteken. Je controleert het keuringsbewijs en ziet dat het onleesbaar is. Je rijdt niet weg en vraagt om een geldig, leesbaar bewijs, want zo'n aanhangwagen moet een geldig keuringsbewijs hebben; rijd je toch, dan ben jij als bestuurder aansprakelijk.
Een kentekenplaat is niet genoeg; je hebt een geldig, leesbaar keuringsbewijs nodig en bij een aanhangwagen ben je als bestuurder aansprakelijk.
Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 721 Voor een motorrijtuig of een aanhangwagen, waarvoor een kenteken is opgegeven dan wel dient te zijn opgegeven, dient een keuringsbewijs te zijn afgegeven. 2 Het keuringsbewijs dient: a. te voldoen aan de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde eisen inzake inrichting en uitvoering, b. zijn geldigheid niet te hebben verloren, en c. behoorlijk leesbaar te zijn. 3 Voor overtreding van het eerste lid en het bepaalde bij of krachtens het tweede lid zijn aansprakelijk: a. voor zover het betreft een motorrijtuig, de eigenaar of houder, alsmede in het geval dat met dat motorrijtuig over de weg wordt gereden, de bestuurder, en b. voor zover het betreft een aanhangwagen, de eigenaar of houder, alsmede in het geval dat de aanhangwagen met een motorrijtuig over de weg wordt voortbewogen, de bestuurder van dat motorrijtuig. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
APK, APK-gekeurd en APK-keuringsrapport: de termen uitgelegd
APK is de technische keuring van je auto. APK-gekeurd betekent: je auto is goedgekeurd. Het APK-keuringsrapport is het schriftelijke verslag van de keuring.
APK is de Algemene Periodieke Keuring, de technische controle van je auto. Een keurmeester doet die keuring.
APK-gekeurd betekent: je auto heeft de keuring doorstaan en er is een keuringsbewijs. Dat hoort bij APK.
Het APK-keuringsrapport is het document met de uitkomst en aandachtspunten van de keuring. Bewaar het en lees wat is genoteerd.
Bij een garage aan een woonstraat zegt de keurmeester na de keuring dat je auto APK-gekeurd is en je krijgt het APK-keuringsrapport. Je neemt het keuringsbewijs en rapport mee, leest de opmerkingen en bewaart ze. Dat moet, omdat het bewijs bij APK hoort en het rapport de uitkomst en aandachtspunten geeft.
Rapport is niet het keuringsbewijs. Het bewijs hoort bij APK-gekeurd; het rapport noteert uitkomst en aandachtspunten.
Soms verwar je een afspraak bij de garage met APK-gekeurd. Je bent dat pas na de keuring, met een keuringsbewijs, niet met het rapport.
Banden: bandenspanning, soorten en slijtage
Controleer bandenspanning en slijtage en weet of je op zomerbanden of winterbanden rijdt, en of je een bruikbare reserveband hebt.
Bandenspanning is lucht in je band; te hoog of te laag maakt sturen en remmen minder voorspelbaar.
Zomerbanden zijn voor milde omstandigheden, winterbanden voor kou en sneeuw; herken het profiel en het type op je auto.
Slijtage zie je aan een vlak of ongelijk afgesleten profiel en aan scheurtjes of beschadigingen. Heeft je auto een reserveband? Dan neem je die mee en hij moet bruikbaar zijn.
Er wordt gedacht dat extra hard altijd beter is, of dat alleen profiel telt. Jij let ook op scheurtjes en voorkomt te veel of te weinig druk.
Op een koude ochtend bij een tankstation, naast je tankt een bestelauto. Jij controleert bandenspanning en kijkt naar winterbanden en schade. Je vertrekt pas met juiste spanning, omdat anders sturen en remmen onvoorspelbaar worden.
Vaak worden winterbanden pas bij sneeuw gekozen; kou telt ook. De reserveband wordt snel vergeten; jij controleert ook de spanning.
Vloeistoffen: motorolie, oliepeil en ruitensproeiervloeistof
Houd oliepeil en ruitensproeiervloeistof op peil om je motor en zicht betrouwbaar te houden.
Motorolie smeert en koelt de motor, en het oliepeil controleer je met de peilstok of ook via de boordcomputer. Is het niveau laag, vul je bij. Je gebruikt ruitensproeiervloeistof om je ruiten schoon te houden; vul het reservoir tijdig bij. Zeker bij slecht weer of veel snelwegkilometers.
Langs een autosnelweg, op een parkeerplaats, na veel snelwegkilometers in regen, sta je stil naast een bestuurder. Jij bekijkt het oliepeil via de boordcomputer, controleert met de peilstok, en vult motorolie bij omdat het laag is. Je vult ruitensproeiervloeistof bij, omdat je het reservoir tijdig bijvult voor schone ruiten. Die parkeerplaats hoort volgens de begripsbepalingen niet bij de autosnelweg. Je controleert met beide middelen, want het peil moet kloppen voor je bijvult.
Zeker bij slecht weer lees je soms als alleen dan. Sommigen denken dat de peilstok overbodig is. Je leest ‘of ook via de boordcomputer’ soms als ‘altijd via de boordcomputer’.
Dashboard, symbolen en hulpmiddelen
Het dashboard toont met meters en symbolen de staat van de auto en bedient ABS, achterruitverwarming, cruise control en navigatiesysteem.
Het dashboard is het paneel met meters en lampjes die je informatie geven. Elk lampje is een symbool van een onderdeel of systeem.
Start je de auto, dan hoort het ABS-lampje kort te branden, en blijft het aan dan is er een storing. De toerentalmeter toont hoe snel de motor draait.
Met de knop voor achterruitverwarming maak je de achterruit snel weer helder. Cruise control helpt je een snelheid vast te houden. Het navigatiesysteem geeft route-informatie en kan waarschuwen voor files of afslagen.
Je rijdt in een woonstraat bij motregen en je achterruit beslaat. Je drukt de knop voor achterruitverwarming in en controleert je zicht in de spiegel. Dat doe je, want de knop met het symbool maakt de ruit snel helder.
Je verwart de toerentalmeter met de snelheidsmeter, maar hij toont alleen motortoeren. Je denkt soms dat cruise control aanpast, maar het houdt slechts je ingestelde snelheid vast.
Na het starten zie je meerdere lampjes even branden. Dat is normaal. Ze testen of de systemen klaar zijn. Verwar de knop voor achterruitverwarming niet met de schakelaar van de achterruitwisser. De verwarming droogt en ontwasemt, de wisser veegt alleen water weg.
Spiegels en dode hoek
Stel linker buitenspiegel, rechter buitenspiegel en binnenspiegel zo af dat je dode hoek zo klein mogelijk is, en controleer altijd extra met je hoofd.
Je buitenspiegels links en rechts, ook zijspiegels, tonen wat naast je gebeurt. Ze tonen ook wat schuin achter je rijdt.
De dode hoek is wat je niet in je spiegels ziet. Maak daarom een korte schouderblik en let extra op kwetsbare medeweggebruikers, zoals een fietser vlak naast je.
Je nadert een kruispunt met rechts een fietsstrook, een strook op de rijbaan voor fietsers. Een fietser rijdt naast je, schuin achter je. Jij controleert de rechter buitenspiegel en maakt een korte schouderblik vóór je rechtsaf slaat. Zo voorkom je een conflict, want die fietser zit in je dode hoek.
Wat vaak misgaat: je vertrouwt alleen op spiegels en slaat de schouderblik over.
Aan het einde van de invoegstrook is het druk. Dat is een strook om in te voegen. Je controleert de linker buitenspiegel, kijkt over je linkerschouder en voegt in, want je spiegels missen de dode hoek.
Remmen en vastzetten: reminrichting, parkeerrem en losbreekreminrichting
Reminrichting, parkeerrem en bij een aanhangwagen de losbreekreminrichting zijn essentiële onderdelen die je pas na goedkeuring mag verkopen.
De reminrichting is het systeem dat je auto laat remmen en tot stilstand brengt. De parkeerrem zet je auto vast bij parkeren of stilstaan.
Rijd je met een aanhangwagen, dan kan die soms een losbreekreminrichting hebben. Dat systeem remt de aanhanger automatisch af als hij losraakt.
Het zijn onderdelen en voorzieningen voor voertuigen; je mag ze pas verkopen na goedkeuring.
Na een bocht op een provinciale weg voel je een klap bij de trekhaak en de aanhanger raakt los. Je remt met je eigen reminrichting en stopt. Dat doe je omdat de losbreekreminrichting de aanhanger zelf afremt.
Soms denkt men dat de losbreekreminrichting jouw auto afremt, maar het systeem zit op de aanhanger. Verder gaat goedkeuring over aanbieden of verkopen, niet over hoe jij de rem bedient.
Ook denk je soms dat elke aanhangwagen een losbreekreminrichting heeft. Dat klopt niet; sommige hebben het, andere niet.
Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 211 Voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn ontworpen en gebouwd en voorzieningen die ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers zijn ontworpen en gebouwd worden slechts op de markt aangeboden of in de handel gebracht nadat ze zijn goedgekeurd, nadat ze zijn goedgekeurd met een ontheffing of vrijstelling of nadat hiervoor een vergunning is verleend. 2 De goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, kan zijn verleend als: a. EU-typegoedkeuring of individuele EU-goedkeuring indien wordt voldaan aan de daaraan gestelde eisen in de desbetreffende EU-verordening of -richtlijn in verband met de goedkeuring motorvoertuigen; b. nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring indien dit bij ministeriële regeling is bepaald en wordt voldaan aan de daaraan gestelde eisen in artikel 23, derde lid ; of c. VN/ECE-goedkeuring indien wordt voldaan aan de daaraan gestelde eisen in de desbetreffende geharmoniseerde technische reglementen als bedoeld in de Overeenkomst van 1958. 3 Een ontheffing, vrijstelling of vergunning als bedoeld in het eerste lid kan zijn verleend als: a. een ontheffing, vrijstelling of vergunning in verband met EU-typegoedkeuring of individuele EU-goedkeuring indien wordt voldaan aan de daaraan gestelde voorwaarden in de desbetreffende EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen; of b. een ontheffing, vrijstelling of vergunning in verband met een nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring voor zover dit bij ministeriële regeling is bepaald. 4 In afwijking van het eerste lid, worden voertuigen na wijziging van de voorwaarden voor goedkeuring, slechts op de markt aangeboden of in de handel gebracht: a. indien het betreft een EU-typegoedkeuring of individuele EU-goedkeuring, zolang wordt voldaan aan de daaraan gestelde voorwaarden op grond in de desbetreffende EU-verordening of -richtlijn in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen; b. indien het betreft een nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring, zolang wordt voldaan aan de daaraan bij ministeriële regeling gestelde voorwaarden; of c. indien het betreft een VN/ECE-goedkeuring zolang wordt voldaan aan de daaraan gestelde voorwaarden in de desbetreffende geharmoniseerde technische reglement als bedoeld in de Overeenkomst van 1958. 5 In afwijking van het eerste lid, worden bij ministeriële regeling gevallen genoemd waarin voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen niet aan goedkeuring onderhevig zijn voordat ze op de markt mogen worden aangeboden of in de handel mogen worden gebracht. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Accessoires en veiligheid: reflector, fietsdrager en veiligheidshamer
Accessoires zoals reflectoren, een fietsdrager en een veiligheidshamer zijn uitrustingsstukken die pas na goedkeuring op de markt mogen komen.
Een reflector kaatst licht terug zodat je beter zichtbaar bent. Een fietsdrager gebruik je om fietsen te vervoeren. Een veiligheidshamer breekt ruiten en snijdt gordels door bij nood. Dit zijn uitrustingsstukken en voorzieningen voor voertuigen. Aanbieden of verkopen mag pas na goedkeuring.
Naast de ingang van een sportwinkel biedt iemand een goedkope fietsdrager aan. Je koopt niet en kiest binnen een goedgekeurd model. Dat doe je, want uitrustingsstukken mogen alleen na goedkeuring worden aangeboden of verkocht.
Goedkeuring van voertuig en accessoires is niet hetzelfde. Een keuringsbewijs van de auto zegt niets over een losse drager. Ook voor aanhangwagens bedoelde voorzieningen moeten zijn goedgekeurd.
Sta je bij een tankstation waar iemand veiligheidshamers en reflectoren verkoopt. Je vraagt naar goedkeuring en ziet geen bewijs. Je koopt niet, want zonder goedkeuring mag niemand dit aanbieden of verkopen.
Verwar autokeuring niet met goedkeuring van losse accessoires of aanhangwagenvoorzieningen.
Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 211 Voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn ontworpen en gebouwd en voorzieningen die ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers zijn ontworpen en gebouwd worden slechts op de markt aangeboden of in de handel gebracht nadat ze zijn goedgekeurd, nadat ze zijn goedgekeurd met een ontheffing of vrijstelling of nadat hiervoor een vergunning is verleend. 2 De goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, kan zijn verleend als: a. EU-typegoedkeuring of individuele EU-goedkeuring indien wordt voldaan aan de daaraan gestelde eisen in de desbetreffende EU-verordening of -richtlijn in verband met de goedkeuring motorvoertuigen; b. nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring indien dit bij ministeriële regeling is bepaald en wordt voldaan aan de daaraan gestelde eisen in artikel 23, derde lid ; of c. VN/ECE-goedkeuring indien wordt voldaan aan de daaraan gestelde eisen in de desbetreffende geharmoniseerde technische reglementen als bedoeld in de Overeenkomst van 1958. 3 Een ontheffing, vrijstelling of vergunning als bedoeld in het eerste lid kan zijn verleend als: a. een ontheffing, vrijstelling of vergunning in verband met EU-typegoedkeuring of individuele EU-goedkeuring indien wordt voldaan aan de daaraan gestelde voorwaarden in de desbetreffende EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen; of b. een ontheffing, vrijstelling of vergunning in verband met een nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring voor zover dit bij ministeriële regeling is bepaald. 4 In afwijking van het eerste lid, worden voertuigen na wijziging van de voorwaarden voor goedkeuring, slechts op de markt aangeboden of in de handel gebracht: a. indien het betreft een EU-typegoedkeuring of individuele EU-goedkeuring, zolang wordt voldaan aan de daaraan gestelde voorwaarden op grond in de desbetreffende EU-verordening of -richtlijn in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen; b. indien het betreft een nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring, zolang wordt voldaan aan de daaraan bij ministeriële regeling gestelde voorwaarden; of c. indien het betreft een VN/ECE-goedkeuring zolang wordt voldaan aan de daaraan gestelde voorwaarden in de desbetreffende geharmoniseerde technische reglement als bedoeld in de Overeenkomst van 1958. 5 In afwijking van het eerste lid, worden bij ministeriële regeling gevallen genoemd waarin voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen niet aan goedkeuring onderhevig zijn voordat ze op de markt mogen worden aangeboden of in de handel mogen worden gebracht. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Lading vervoeren: hoeveel mag uitsteken en wanneer moet je markeren
Aan de zijkant hooguit 20 centimeter; meer dan 1 meter achter markeren met rood‑wit bord en verlichting; onder 4 meter blijven; lading altijd zekeren.
Aan de zijkant mag die hooguit 20 centimeter uitsteken; de totale breedte blijft binnen de wettelijke grens. Steekt de lading achter meer dan 1 meter uit, dan hang je aan het uiterste punt een rood‑wit markeringsbord met verlichting in het donker. Auto met lading blijft onder 4 meter. Je zekert de lading zo dat niets kan verschuiven of vallen.
Op een bedrijventerrein haal je lange planken; ze steken achter meer dan 1 meter uit. Je zet ze stevig vast, hangt het markeringsbord aan het uiterste punt en voeg je bij donker verlichting toe. Omdat uitstekende lading zichtbaar moet zijn en niet mag verschuiven. Je rijdt pas weg als alles klopt.
Het gaat vaak mis bij details: een vlaggetje is geen markeringsbord, en in het donker hoort verlichting erbij. Je moet echt zekeren voor een noodstop.
Bron: Regeling voertuigen, artikel 5.18.61 De lading of delen daarvan moeten zodanig zijn gezekerd dat deze onder normale verkeerssituaties, waaronder begrepen volle remmingen, plotselinge uitwijkmanoeuvres en slecht wegdek, niet van het voertuig kunnen vallen of de stabiliteit van het voertuig niet in gevaar kunnen brengen. Om hieraan te voldoen moet de lading of delen daarvan zodanig worden vastgezet dat minimaal de volgende versnellings- of vertragingskrachten kunnen worden weerstaan: a. in de rijrichting: 0,8 maal het gewicht van de lading; b. in de zijwaartse richting: 0,5 maal het gewicht van de lading en bij kantelgevaar 0,6 maal het gewicht van de lading; c. in de achterwaarts richting: 0,5 maal het gewicht van de lading; In aanvulling hierop moet lading zodanig zijn gezekerd dat deze door opwaartse krachten niet van het voertuig kan vallen. 2 Losse lading die naar haar aard niet op of aan het voertuig bevestigd kan worden, moet deugdelijk zijn afgedekt indien gevaar of hinder ontstaat of kan ontstaan als gevolg van afvallende of wegwaaiende lading. 3 In afwijking van het eerste lid, moet voertuiggebonden lading, zoals voertuiguitrustingsstukken, voertuiggereedschappen en stuwagemiddelen, zodanig zijn bevestigd dat deze niet van het voertuig kan vallen. 4 In afwijking van het eerste lid, moeten verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, afneembare bovenbouwen, gestandaardiseerde laadstructuren en meeneemheftrucks deugdelijk zijn bevestigd met geschikte vastzetsystemen, zekeringssystemen en stuwagemiddelen. 5 Vastzetsystemen, zekeringssystemen, stuwagemiddelen en onderdelen daarvan moeten goed functioneren en geschikt zijn voor het doel waarvoor ze gebruikt worden. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 51 Fietsers gebruiken het verplichte fietspad of het fiets/bromfietspad. 2 Zij gebruiken de rijbaan indien een verplicht fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt. 3 Zij mogen het onverplichte fietspad gebruiken. Bestuurders van snorfietsen uitgerust met een verbrandingsmotor mogen het onverplichte fietspad slechts gebruiken met uitgeschakelde motor. 4 Bestuurders van fietsen op meer dan twee wielen die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter en van fietsen met aanhangwagen die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter mogen de rijbaan gebruiken. 5 Bestuurders vanaf 16 jaar van snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet mogen het trottoir en het voetpad gebruiken indien zij beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een bij ministeriële regeling aangewezen kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten. 6 Bestuurders jonger dan 16 jaar van snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet gebruiken het trottoir of het voetpad indien zij beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een bij ministeriële regeling aangewezen kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten. 7 Het eerste lid, het tweede lid en het vierde lid gelden niet voor bestuurders als bedoeld in het zesde lid. 8 Bestuurders van snorfietsen gebruiken de rijbaan indien dit bij verkeersbesluit, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet , is bepaald en bij het verkeersteken dat het verplichte fietspad aangeeft een onderbord dit aanduidt. 9 Het achtste lid is niet van toepassing op snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, onder d, van de wet en op bestuurders van snorfietsen zijnde bestuurders als bedoeld in het vijfde en zesde lid van dit artikel. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Rijgedrag, verbruik en uitstoot
Rustig rijden verlaagt je brandstofverbruik en dus je CO2-uitstoot, terwijl je rekening houdt met elke medeweggebruiker.
Zuinig rijden verlaagt je brandstofverbruik, scheelt kosten en vermindert CO2-uitstoot. Brandstofverbruik is hoeveel brandstof je auto nodig heeft.
Een medeweggebruiker is iedereen die de weg gebruikt, dus je past je rijgedrag aan op anderen en rijdt duidelijk. Rij voorspelbaar.
Voor je wordt het druk bij een rotonde in een woonstraat. Je ziet verkeer afremmen, laat tijdig gas los en rolt rustig door. Zo blijf je voorspelbaar voor medeweggebruikers en verlaag je verbruik en uitstoot.
Sommigen verwarren zuinig rijden met te langzaam optrekken of remmen zonder noodzaak. Je past je snelheid vloeiend aan het verkeer aan en voorkomt onnodig verbruik.
Ter hoogte van een afrit op een autoweg zie je afremmend verkeer. Je laat vroegtijdig gas los, houdt volgafstand en remt geleidelijk. Zo blijf je voorspelbaar en verlaag je verbruik en uitstoot.
Bestuurders zijn geen voetgangers; medeweggebruikers wel. Rij dus voorspelbaar naar iedereen.
Aanhangwagen: wat je met rijbewijs B mag trekken
Met rijbewijs B trek je tot 750 kg TMM of, zwaarder, zolang de combinatie onder 3.500 kg blijft, met eigen kentekenplaat en maximaal 90 km/h.
Met rijbewijs B trek je een aanhangwagen tot 750 kg toegestane maximummassa (TMM, het maximaal toegestane gewicht). Is de aanhangwagen zwaarder, dan mag het als de combinatie onder 3.500 kg blijft. De aanhangwagen voert een eigen kentekenplaat. Je rijdt maximaal 90 km/h.
Je rijdt op een snelweg met een aanhangwagen van meer dan 750 kg TMM. Je controleert de combinatie en blijft onder 3.500 kg. Want dat mag met rijbewijs B en met aanhanger geldt 90 km/h. Je voert de eigen kentekenplaat en rijdt 90.
Het gaat mis als je naar gewicht kijkt in plaats van TMM. Of als je denkt dat boven 750 kg altijd rijbewijs BE nodig is. Jij onthoudt de kentekenplaat, 90 km/h met aanhanger, en de 3.500 kg.
Bron: Reglement rijbewijzen, artikel 151 Rijbewijzen worden afgegeven voor het besturen van de volgende categorieën van motorrijtuigen: a. bromfietsen, niet zijnde bromfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet (rijbewijs categorie AM); b. motorrijtuigen op twee wielen, niet zijnde een bromfiets, met een maximale cilinderinhoud van 125 cm 3 en een maximumvermogen van 11 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van minder dan 0,1 kW per kg massa in rijklare toestand als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen , al dan niet met zijspan, motorrijtuigen op twee wielen, niet zijnde een bromfiets, met een volledig elektrische aandrijving met een maximumvermogen van 11 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van minder dan 0,1 kW per kg massa in rijklare toestand als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, al dan niet met zijspan, alsmede motorrijtuigen op drie wielen met een maximumvermogen van 15 kW, niet zijnde een bromfiets (rijbewijs A1); c. motorrijtuigen op twee wielen, niet zijnde een bromfiets, met een maximumvermogen van 35 kW en een vermogen/gewichtsverhouding van niet meer dan 0,2 kW per kg massa in rijklare toestand als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen en niet afgeleid van een motorrijtuig met meer dan het dubbele vermogen, al dan niet met zijspan (rijbewijs A2); d. motorrijtuigen op twee wielen, niet zijnde een bromfiets, al dan niet met zijspan, alsmede motorrijtuigen op drie wielen, niet zijnde motorrijtuigen op twee wielen met zijspan, met een vermogen van meer dan 15 kW (rijbewijs A); e. motorrijtuigen op vier of meer wielen, niet zijnde een bromfiets, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg en die zijn ontworpen en gebouwd voor het vervoer van ten hoogste acht personen, de bestuurder niet meegerekend, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens of opleggers waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 750 kg, dan wel meer bedraagt dan 750 kg, mits in dat geval de toegestane maximum massa van het samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen of oplegger niet meer bedraagt dan 3500 kg, een en ander afhankelijk van de gegevens op het kentekenbewijs van het trekkend motorrijtuig (rijbewijs B); f. motorrijtuigen, niet zijnde motorrijtuigen van de rijbewijscategorie D1 of D, waarvan de toegestane maximum massa meer dan 3500 kg, doch ten hoogste 7500 kg bedraagt en die zijn ontworpen en gebouwd voor het vervoer van ten hoogste acht personen, de bestuurder niet meegerekend, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens of opleggers waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 750 kg (rijbewijs C1); g. motorrijtuigen, niet zijnde motorrijtuigen van de rijbewijscategorie D1 of D, waarvan de toegestane maximum massa meer dan 3500 kg bedraagt en die zijn ontworpen en gebouwd voor het vervoer van ten hoogste acht personen, de bestuurder niet meegerekend, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens of opleggers waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 750 kg (rijbewijs C); h. motorrijtuigen die zijn ontworpen en gebouwd voor het vervoer van ten hoogste zestien personen, de bestuurder niet meegerekend, en een lengte hebben van ten hoogste acht meter, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 750 kg (rijbewijs D1); i. motorrijtuigen die zijn ontworpen en gebouwd voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder niet meegerekend, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 750 kg (rijbewijs D); j. landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede één of meer door die motorrijtuigen voortbewogen aanhangwagens (rijbewijs T), niet zijnde motorrijtuigen van een van de in de onderdelen a tot en met i bedoelde rijbewijscategorieën, tenzij het motorrijtuig: 1°. gemeten overeenkomstig de krachtens de wet vastgestelde meetmethode, met inbegrip van de breedte van een of meer verwisselbare uitrustingsstukken, niet breder is dan 1,3 m; 2°. is voorzien van: I. een door de motor aangedreven maai-installatie, bestemd voor het maaien van oppervlakten; II. een door de motor aangedreven veeginstallatie, bestemd voor het vegen van wegen; III. een door de motor aangedreven installatie om automatisch uitwerpselen op te zuigen; IV. een uitrustingsstuk aan de voorzijde ter verwijdering van sneeuw op het wegdek, met een minimale breedte gelijk aan de grootste breedte van het voertuig; V. een installatie voor het strooien op wegen ter voorkoming of bestrijding van gladheid; VI. een installatie om onkruid te bestrijden, met een tankinhoud van ten minste 100 liter; of VII. een hefinrichting aan de voorzijde van het voertuig, niet zijnde een verwisselbaar uitrustingsstuk, dat zelfstandig voor laad- en losactiviteiten kan worden ingezet; en 3°. aan de achterzijde niet is voorzien van: I. een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen; of II. en driepuntshefinrichting; k. motorrijtuigen van een van de rijbewijscategorieën B, C1, C, D1 of D voor het besturen waarvan de bestuurder in het bezit is van een rijbewijs, met een andere aanhangwagen of oplegger dan op grond van dat rijbewijs mag worden voortbewogen (rijbewijs E), mits: I. in het geval van een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B 1°. de toegestane maximum massa van de aanhangwagen of oplegger niet meer bedraagt dan 3500 kg, dan wel 2°. de toegestane maximum massa van de oplegger of middenasaanhangwagen meer bedraagt dan 3500 kg, mits: a. de toegestane maximumlast onder de koppeling van de oplegger of middenasaanhangwagen niet meer bedraagt dan het verschil tussen de toegestane maximum massa van het trekkend motorrijtuig en de massa in rijklare toestand, bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen , van het trekkend motorrijtuig, en b. de toegestane maximum aslast respectievelijk de som van de toegestane maximum aslasten van de oplegger of middenasaanhangwagen niet meer bedraagt dan 3500 kg; II. in het geval van een motorrijtuig van de rijbewijscategorie C1 de toegestane maximum massa van het samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen of oplegger niet meer bedraagt dan 12.000 kg, een en ander afhankelijk van de gegevens die op het kentekenbewijs of in het kentekenregister ten aanzien van het in dit onderdeel bedoelde trekkende motorrijtuig zijn vermeld. 2 Het eerste lid, aanhef en onderdeel j, onder 3°, onder I, is niet van toepassing op de landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, aanhef en onder 2°, onder VII, mits aan dat voertuig geen aanhangwagen is gekoppeld. 3 Voor de bepaling van het aantal wielen worden twee op dezelfde as gemonteerde wielen als een wiel beschouwd, indien de afstand tussen de middens van de contactvlakken van deze wielen met de grond kleiner is dan 460 mm. 4 In afwijking van het eerste lid worden motorrijtuigen, ingericht voor het vervoer van ten hoogste 8 personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, waarvan de toegestane maximum massa als gevolg van een aan het voertuig aangebrachte bepantsering meer dan 3500 kg bedraagt, begrepen onder de rijbewijscategorie B. 5 In afwijking van het eerste lid, onderdeel k, onder I, wordt onder de rijbewijscategorie B mede begrepen het samenstel van een motorrijtuig van die categorie en een door dat motorrijtuig voortbewogen aanhangwagen of oplegger waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 750 kg, waarbij de toegestane maximum massa van het samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen of oplegger meer bedraagt dan 3.500 kg, maar niet meer bedraagt dan 4.250 kg en het rijbewijs van de bestuurder is voorzien van een bij ministeriële regeling vastgestelde codering waaruit blijkt dat de houder is geslaagd voor het examen dat de bevoegdheid geeft tot het besturen van zo'n samenstel. 6 In afwijking van het eerste lid, onderdeel k, onder II, wordt onder de rijbewijscategorie E bij C1 mede begrepen een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B met een aanhangwagen of oplegger waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg, mits de toegestane maximum massa van het samenstel niet meer bedraagt dan 12.000 kg. 7 In afwijking van het eerste lid, onderdelen b, c en d, kan in Nederland met het in deze onderdelen bedoelde rijbewijs een motorrijtuig van de desbetreffende categorie worden bestuurd waaraan een aanhangwagen is gekoppeld. Met het in de eerste volzin bedoelde rijbewijs wordt gelijkgesteld een rijbewijs dat geldig is voor een of meer van de rijbewijscategorieën A1, A2 of A, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland. 8 In afwijking van het eerste lid, onderdeel e, kan in Nederland met het in dit onderdeel bedoelde rijbewijs een motorrijtuig worden bestuurd indien dit voertuig aangedreven wordt door alternatieve brandstoffen als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 96/53/EG van de Raad en: a. een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, maar niet meer dan 4.250 kg heeft; b. niet wordt gebruikt in combinatie met een aanhangwagen; en c. wordt bestuurd door een bestuurder die in het bezit is van een rijbewijs voor de categorie B dat ten minste twee jaar daarvoor voor de eerste keer is afgegeven. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 22Voor zover niet ingevolge andere artikelen van dit besluit een lagere maximumsnelheid geldt, gelden voor de volgende voertuigen de volgende bijzondere maximumsnelheden: a. voor kampeerwagens die volgens het kentekenbewijs behoren tot de categorie bedrijfsauto’s en waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3500 kg, vrachtauto’s en autobussen, niet zijnde T100-bussen, 80 km per uur; b. voor T100-bussen 100 km per uur; c. voor brommobielen 45 km per uur; d. voor snorfietsen 25 km per uur; e. voor personenauto’s, bestelauto’s, motorfietsen, driewielige motorvoertuigen en T100-bussen, die een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg voortbewegen, 90 km per uur; f. voor andere dan de in onderdeel e genoemde motorvoertuigen met aanhangwagen 80 km per uur. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Medeweggebruikers en toezicht op de weg
Je herkent uiteenlopende medeweggebruikers en weet dat politiecontrole, snelheidscontrole en een oproep naar een politiebureau kunnen voorkomen, en dat er een Educatieve maatregel gedrag en verkeer (EMG) bestaat.
Je ziet veel soorten medeweggebruikers: skeelers op het fietspad, een motorrijder en een speed-pedelec die sneller is dan een e-bike. Ook een langzaam landbouwvoertuig, een grote touringcar of een veegwagen. Een politieauto kan een politiecontrole uitvoeren. Soms vraagt de politie je om naar een politiebureau te komen voor verdere afhandeling. Een snelheidscontrole meet je snelheid. De Educatieve maatregel gedrag en verkeer (EMG) is een maatregel met lessen en opdrachten, bedoeld om rijgedrag te verbeteren.
In een woonstraat met fietspad rijdt links van je een speed-pedelec, terwijl achter je een politieauto je laat stoppen. Je remt af en laat de speed-pedelec passeren. Daarna parkeer je op een veilige plek en volg je de aanwijzingen van de agent. Dat doe je omdat de politie toezicht op de weg heeft en de controle daar afhandelt.
Je haalt snelheidscontrole en EMG nog wel eens door elkaar. Je snelheid meten is een controle; de EMG bevat lessen en opdrachten over rijgedrag.
Ook een rijschool nodig?
De theorie leer je hier gratis. Voor de rijlessen heb je een rijschool nodig. Op Ribba vergelijk je rijscholen op het slagingspercentage van het CBR, het prijsniveau en de beoordelingen van eerdere leerlingen.
Rijscholen vergelijken