Hoofdstuk 10 van 11

Pech, ongeval en je eigen toestand

Pech, ongeval en je eigen toestand: een Nederlandse verkeerssituatie vanuit de bestuurdersstoel

Bij pech en ongevallen zorg je voor veiligheid, waarschuw je andere weggebruikers en blijf je bij een ongeval ter plekke als er letsel of schade is. Rijden onder invloed en doorrijden bij rijontzegging of ongeldig rijbewijs is verboden, en bij controles moet je meewerken aan blaastest, speekseltest en ademanalyse.

Waar het CBR naar vraagt: Reageren bij pech en ongevallen, en wat je eigen toestand met je rijden doet.

Niveau K+. Je neemt een juiste beslissing in een situatie en laat zien dat je begrijpt hoe de regel werkt. Bijvoorbeeld: wie laat je hier voorgaan?

De borden bij dit hoofdstuk

Klik op een bord voor de betekenis en wat je moet doen.

Eerst reageren bij pech of een ongeval

Zorg eerst voor veiligheid bij pech of een ongeval. Blijf oplettend. Bepaal daarna rustig wat er precies aan de hand is.

Autopech is een technische storing aan je voertuig, waardoor je niet meer normaal kunt rijden en het niet veilig is om door te gaan. Denk aan een lekke band of een motorstoring.

Bij pech komt er een pechhulpdienst om jou te helpen. De Wegenwacht is daarvan het bekendste voorbeeld. Spreek af waar je veilig wacht en hoe je auto opvalt voor anderen.

Het weer beïnvloedt de wegligging van je auto. Regen, wind, sneeuw en mist kunnen je bandengrip verminderen en jouw zicht beperken.

Je rijdt op een autosnelweg en de motor hapert. Je ziet een parkeerplaats. Je stuurt daarheen en rolt uit tot je veilig stilstaat. Je belt de pechhulpdienst en spreekt af waar je wacht. Dat doe je omdat parkeerplaatsen langs autosnelwegen geen deel van de autosnelweg uitmaken.

Soms lijkt een tankstation deel van de autosnelweg, waardoor je te vroeg stopt. Op een autoweg vergeet je dat snel, terwijl dezelfde scheiding geldt.

Pech of brand in een tunnel

In een tunnel stop je veilig en verlaat je via de nooduitgang; keren of achteruit rijden is nooit een optie.

In een tunnel keer je nooit en rijd je nooit achteruit. Kun je niet verder, zet de motor uit, laat de sleutel zitten en ga via de dichtstbijzijnde nooduitgang. Bij brand loop je van de rook weg. Keren is levensgevaarlijk: verkeer achter je ziet je laat in het donker. Een vluchthaven is een korte uitwijkplek met noodtelefoon en brandblusapparaat.

Je auto valt stil in een tunnel. Jij stuurt naar een vluchthaven, zet de motor uit en laat de sleutel zitten. Omdat keren of achteruit rijden verboden en gevaarlijk is, ga je via de nooduitgang en bel je met de noodtelefoon.

Hier gaat het vaak mis op het examen. Kandidaten willen terugrijden of blijven in de auto. Onthoud: je verlaat de auto direct en volgt de borden naar de nooduitgang.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 431 Het is de bestuurders verboden op een autosnelweg of autoweg hun voertuig te keren of achteruit te rijden. 2 Het is de bestuurders voorts verboden op de rijbaan van een autosnelweg of autoweg hun voertuig te laten stilstaan. 3 Behoudens in noodgevallen is het de weggebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm. 4 Op een autosnelweg is het bestuurders van een samenstel van voertuigen met een totale lengte van meer dan 7 meter en van een vrachtauto verboden op een rijbaan met drie of meer rijstroken enig andere dan de twee meest rechts gelegen rijstroken te gebruiken. Het verbod geldt niet voor het geval zij moeten voorsorteren. § 17. Erven Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 581 Stilstaande motorvoertuigen op meer dan twee wielen en aanhangwagens moeten worden aangeduid door een gevarendriehoek, indien het voertuig een obstakel vormt dat door naderende bestuurders niet tijdig als zodanig kan worden opgemerkt. 2 De gevarendriehoek moet goed zichtbaar op de weg worden geplaatst op een afstand van ongeveer 30 meter van het voertuig en in de richting van het verkeer waarvoor het voertuig gevaar oplevert. 3 Het eerste lid geldt niet wanneer knipperend waarschuwingslicht wordt gevoerd. § 26a. Zitplaatsen Lees het artikel op wetten.overheid.nl

De stand van je wielen als je stilstaat

Draai je voorwielen naar de kant van de weg, zodat je auto bij een aanrijding de berm in rolt en niet de rijbaan op.

Sta je stil langs de weg, draai dan je voorwielen naar de kant van de weg. Wordt je auto van achteren geraakt, dan rolt hij de berm in. Met de wielen rechtuit schiet hij juist de rijbaan op, tussen het verkeer.

Je krijgt pech op een landweg zonder vluchtstrook en zet de auto in de berm. Voor je uitstapt draai je het stuur naar rechts, zet je de parkeerrem erop en zet je hem in de versnelling. Dat doe je omdat een auto zonder bestuurder verder rolt dan je denkt, zeker op een helling.

Op een helling geldt hetzelfde met een extra stap. Sta je bergafwaarts, draai de wielen dan naar de stoeprand toe. Gaat de auto rollen, dan loopt hij vast tegen de band in plaats van de straat op.

Hier zit een verschil dat vaak wordt gemist: dit gaat over stilstaan langs de weg, niet over parkeren in een vak. In een vak staat je auto tussen andere auto's en is de stand van je wielen geen veiligheidskwestie meer.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 581 Stilstaande motorvoertuigen op meer dan twee wielen en aanhangwagens moeten worden aangeduid door een gevarendriehoek, indien het voertuig een obstakel vormt dat door naderende bestuurders niet tijdig als zodanig kan worden opgemerkt. 2 De gevarendriehoek moet goed zichtbaar op de weg worden geplaatst op een afstand van ongeveer 30 meter van het voertuig en in de richting van het verkeer waarvoor het voertuig gevaar oplevert. 3 Het eerste lid geldt niet wanneer knipperend waarschuwingslicht wordt gevoerd. § 26a. Zitplaatsen Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Ongeval: stoppen, blijven en je identiteit geven

Je verlaat de plaats van een ongeval niet bij letsel, overlijden of schade. Uitzondering: je hebt deugdelijk gelegenheid geboden om jouw identiteit vast te stellen. Reed je, dan ook die van het motorrijtuig. Je laat niemand hulpeloos achter.

Bij een ongeval blijven jij en de tegenpartij ter plaatse, zodat jullie identiteit en voertuiggegevens vastliggen. Een slachtoffer is iemand die gewond raakt of overlijdt.

Ook bij blikschade bied je de ander gelegenheid om jouw identiteit vast te stellen. Blikschade is schade aan het voertuig, zonder gewonden.

Een schadeformulier is het formulier waar jij en de tegenpartij toedracht en gegevens invullen. Zo zijn schade en identiteit helder.

Op een woonstraat tik je bij het uitparkeren een geparkeerde auto. Niemand is gewond. Je blijft staan en laat jouw identiteit en kenteken noteren. Daarna rijd je door, want jij bood die vaststelling aan.

Vaak wordt blikschade verward met letsel. Is iemand gewond, dan geldt letsel. Vertrekken mag alleen als jouw identiteit vaststaat en niemand hulpeloos achterblijft. Ook zonder botsing kun jij betrokken zijn.

Op een kruispunt wijkt een fietser voor je uit en valt. Je stopt en geeft je identiteit, want ook zonder botsing ben jij betrokken.

Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 71 Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien: a. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel aan een ander is toegebracht; b. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, schade aan een ander is toegebracht; c. daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten. 2 Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, is niet van toepassing op degene die op de plaats van het ongeval behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en, voor zover hij een motorrijtuig bestuurde, tevens van de identiteit van dat motorrijtuig. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Waarschuwen van verkeer: gevarendriehoek en knipperlicht

Zien naderende bestuurders jouw stilstaande voertuig niet tijdig, plaats een gevarendriehoek goed zichtbaar op ongeveer 30 meter in de richting van het gevaar, behalve als je knipperend waarschuwingslicht voert.

Controleer of anderen jouw voertuig op tijd zien; zo niet, plaats een gevarendriehoek zoals voorgeschreven. Voer je knipperend waarschuwingslicht, dan plaats je geen gevarendriehoek. Plaats de driehoek ongeveer 30 meter achter je voertuig. Doe dat in de richting van het verkeer waarvoor je gevaar oplevert.

In een onoverzichtelijke bocht van een landweg strand jij met auto en aanhangwagen. Bestuurders uit jouw richting zien je laat. Jij zet het knipperend waarschuwingslicht aan en plaatst geen gevarendriehoek. Dat mag, want het knipperlicht heft de plicht tot een driehoek op.

In een woonstraat sta je stil met je auto. Het waarschuwingslicht werkt niet. Je plaatst een gevarendriehoek ongeveer 30 meter achter je, in de richting van naderend verkeer. Dat is verplicht, omdat het obstakel anders niet tijdig wordt gezien. Met knipperend waarschuwingslicht vervalt die plicht.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 581 Stilstaande motorvoertuigen op meer dan twee wielen en aanhangwagens moeten worden aangeduid door een gevarendriehoek, indien het voertuig een obstakel vormt dat door naderende bestuurders niet tijdig als zodanig kan worden opgemerkt. 2 De gevarendriehoek moet goed zichtbaar op de weg worden geplaatst op een afstand van ongeveer 30 meter van het voertuig en in de richting van het verkeer waarvoor het voertuig gevaar oplevert. 3 Het eerste lid geldt niet wanneer knipperend waarschuwingslicht wordt gevoerd. § 26a. Zitplaatsen Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Werkzaamheden op de weg en hulpvoertuigen

Motorvoertuigen die voor werkzaamheden worden gebruikt voeren onder bepaalde omstandigheden geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht en de eerste of enige die ter plekke komt mag in plaats daarvan blauw voeren.

Let extra op en geef ze ruimte voor hun werk. Bij pech of een ongeval kom je voertuigen van wegwerkers of hulpdiensten tegen met geel of groen licht. Is zo'n voertuig de eerste of enige ter plaatse, dan mag het blauw zwaai-, flits- of knipperlicht voeren. Dat vervangt geel of groen.

Stel je rijdt op een autosnelweg. Een werkvoertuig is als eerste ter plaatse, met blauw knipperlicht. Jij mindert snelheid, geeft ruimte en passeert pas als het veilig kan. Dat doe je omdat de eerste of enige blauw mag voeren in plaats van geel of groen.

Je verwart soms geel of groen met blauw. Bij werkzaamheden geldt geel of groen; alleen de eerste of enige voert blauw.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 301 Bestuurders van motorvoertuigen die voor nader aan te geven werkzaamheden worden gebruikt, voeren onder nader aan te geven omstandigheden geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht. De in artikel 29, eerste lid , genoemde bestuurders voeren in die gevallen geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht in plaats van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht. De bestuurder van het motorvoertuig die als eerste of enige de plek bereikt om de daar aan hem opgedragen taak uit te voeren, mag in plaats van dat licht, blauw zwaai-, flits- of knipperlicht voeren. 2 Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld betreffende het geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht en de werkzaamheden en omstandigheden waarbij deze signalen worden gevoerd. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Alcohol en rijden: algemene verbod en grenswaarden

Rijden onder invloed is verboden. Dat is een stof die je rijvaardigheid vermindert. Voor alcohol geldt: je rijdt niet bij meer dan 220 microgram per liter uitgeademde lucht of 0,5 milligram per milliliter bloed.

Na een sporttraining op de parkeerplaats van een sporthal wil je vriend jouw auto rijden. Je ruikt alcohol en hij praat traag. Je pakt de sleutels. Daarom laat je hem niet rijden: onder invloed rijden is verboden, en boven 220 microgram per liter uitgeademde lucht of 0,5 milligram per milliliter bloed mag je niet rijden.

Verwar het algemene verbod niet met de grenswaarden; beide gelden.

Onder de grenswaarden rijden lijkt toegestaan. Ben je merkbaar minder vaardig, dan mag je niet rijden. Boven de grenswaarden mag je niet rijden, ook als je je fit voelt. Geef de sleutels niet weg; anders overtreed je 'als bestuurder doen besturen'.

Na een etentje op een woonstraat vraagt je broer of je als begeleider instapt. Je hebt wijn gedronken en merkt dat je traag reageert. Je stapt niet in, omdat een begeleider onder invloed niet behoorlijk kan begeleiden.

Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 81 Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht. 2 Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat: a. het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel b. het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed. 3 In afwijking van het tweede lid is het de bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, verboden dat motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat: a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,2 milligram per milliliter bloed, indien: 1° sedert de datum waarop hem voor de eerste maal een rijbewijs voor de categorie AM of T is afgegeven nog geen zeven jaren zijn verstreken en hij op het tijdstip van afgifte van dat rijbewijs de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, 2°. sedert de datum waarop hem voor het eerst een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en hij op het tijdstip van afgifte van dat rijbewijs de leeftijd van ten minste achttien jaar heeft bereikt, dan wel 3°. indien sedert de datum waarop hem voor het eerst een rijbewijs voor de categorie B is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en hij op het tijdstip van afgifte van het rijbewijs voor de categorie B nog niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, ongeacht of hij op dat tijdstip van afgifte van het rijbewijs voor de categorie B al in het bezit was van een rijbewijs voor de categorie AM of T. 4 Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een ieder die zonder dat aan hem een rijbewijs is afgegeven een motorrijtuig bestuurt voor het besturen waarvan een rijbewijs vereist is. 5 Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn. 6 Het is verboden een motorrijtuig als bestuurder te doen besturen door een persoon waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat deze verkeert in een toestand als in het eerste, tweede, derde of vijfde lid is omschreven. 7 Voor de toepassing van het derde lid wordt onder een rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland en wordt voor de toepassing van het derde lid, aanhef en onderdelen 1° en 3°, met een rijbewijs voor de categorie AM of T gelijk gesteld een rijbewijs voor de categorie A1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland aan een persoon die op het tijdstip van afgifte nog niet de leeftijd van achttien jaar had bereikt. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Lagere alcoholgrenzen voor bestuurders met kort rijbewijs

Heb je nog maar kort je rijbewijs, dan gelden lagere alcoholgrenzen: 88 microgram per liter uitgeademde lucht of 0,2 milligram per milliliter bloed binnen de in de wet omschreven perioden.

De wet beschrijft periodes vanaf de datum van je eerste rijbewijs, die als startpunt telt. Daar gelden lagere grenzen. In de lesstof heet dit vaak beginnend bestuurder: je hebt je eerste rijbewijs pas kort, daarom gelden strengere alcoholgrenzen.

Na afloop van een etentje in een woonstraat stap je op je scooter. Je eerste rijbewijs AM heb je net. Jij drinkt alcoholvrij en rijdt later, omdat voor jou lagere alcoholgrenzen gelden.

Je verwart de startdatum vaak met je rijbewijs B. De periode loopt vanaf je eerste rijbewijs, dus AM of T telt mee. De lagere grens geldt alleen bij motorrijtuigen met rijbewijsplicht.

Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 81 Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht. 2 Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat: a. het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel b. het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed. 3 In afwijking van het tweede lid is het de bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, verboden dat motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat: a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,2 milligram per milliliter bloed, indien: 1° sedert de datum waarop hem voor de eerste maal een rijbewijs voor de categorie AM of T is afgegeven nog geen zeven jaren zijn verstreken en hij op het tijdstip van afgifte van dat rijbewijs de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, 2°. sedert de datum waarop hem voor het eerst een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en hij op het tijdstip van afgifte van dat rijbewijs de leeftijd van ten minste achttien jaar heeft bereikt, dan wel 3°. indien sedert de datum waarop hem voor het eerst een rijbewijs voor de categorie B is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en hij op het tijdstip van afgifte van het rijbewijs voor de categorie B nog niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, ongeacht of hij op dat tijdstip van afgifte van het rijbewijs voor de categorie B al in het bezit was van een rijbewijs voor de categorie AM of T. 4 Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een ieder die zonder dat aan hem een rijbewijs is afgegeven een motorrijtuig bestuurt voor het besturen waarvan een rijbewijs vereist is. 5 Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn. 6 Het is verboden een motorrijtuig als bestuurder te doen besturen door een persoon waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat deze verkeert in een toestand als in het eerste, tweede, derde of vijfde lid is omschreven. 7 Voor de toepassing van het derde lid wordt onder een rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland en wordt voor de toepassing van het derde lid, aanhef en onderdelen 1° en 3°, met een rijbewijs voor de categorie AM of T gelijk gesteld een rijbewijs voor de categorie A1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland aan een persoon die op het tijdstip van afgifte nog niet de leeftijd van achttien jaar had bereikt. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Drugs en combinatiegebruik

Rijden na gebruik van aangewezen middelen mag niet als het gehalte in je bloed boven de vastgestelde grenswaarde ligt. Bij combinaties geldt voor elk middel en voor alcohol een eigen grenswaarde.

Ook andere middelen dan alcohol verminderen je reactievermogen en oplettendheid, waardoor je niet behoorlijk kunt besturen. Combineer je alcohol met andere aangewezen middelen? Voor elke stof geldt een eigen grenswaarde.

Naast de parkeerplaats bij een sporthal spreek je een vriend die cannabis heeft gebruikt, terwijl jij alcohol hebt gedronken. Je rijdt niet weg. Want stoffen die je rijvaardigheid verminderen, alleen of samen, maken behoorlijk besturen onmogelijk en dat is verboden.

Dat per stof een grens geldt, betekent niet dat combineren mag. Weet of moet je weten dat je minder kunt, dan rij je niet. Denken dat onder elke losse grens blijven altijd toegestaan is, gaat mis. Middelen samen kunnen je rijvaardigheid alsnog verminderen; dan mag je niet rijden. Het verbod geldt ook voor aangewezen medicijnen, niet alleen voor drugs. Iemand laten besturen terwijl jij weet dat die onder invloed is, valt ook onder het verbod.

Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 81 Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht. 2 Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat: a. het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel b. het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed. 3 In afwijking van het tweede lid is het de bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, verboden dat motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat: a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,2 milligram per milliliter bloed, indien: 1° sedert de datum waarop hem voor de eerste maal een rijbewijs voor de categorie AM of T is afgegeven nog geen zeven jaren zijn verstreken en hij op het tijdstip van afgifte van dat rijbewijs de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, 2°. sedert de datum waarop hem voor het eerst een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en hij op het tijdstip van afgifte van dat rijbewijs de leeftijd van ten minste achttien jaar heeft bereikt, dan wel 3°. indien sedert de datum waarop hem voor het eerst een rijbewijs voor de categorie B is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en hij op het tijdstip van afgifte van het rijbewijs voor de categorie B nog niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, ongeacht of hij op dat tijdstip van afgifte van het rijbewijs voor de categorie B al in het bezit was van een rijbewijs voor de categorie AM of T. 4 Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een ieder die zonder dat aan hem een rijbewijs is afgegeven een motorrijtuig bestuurt voor het besturen waarvan een rijbewijs vereist is. 5 Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn. 6 Het is verboden een motorrijtuig als bestuurder te doen besturen door een persoon waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat deze verkeert in een toestand als in het eerste, tweede, derde of vijfde lid is omschreven. 7 Voor de toepassing van het derde lid wordt onder een rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland en wordt voor de toepassing van het derde lid, aanhef en onderdelen 1° en 3°, met een rijbewijs voor de categorie AM of T gelijk gesteld een rijbewijs voor de categorie A1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland aan een persoon die op het tijdstip van afgifte nog niet de leeftijd van achttien jaar had bereikt. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Controle door de politie: blaastest, speekseltest en ademanalyse

Op vordering werk je mee aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht en een speekseltest, en op bevel aan een ademanalyse of, zo nodig, een bloedonderzoek.

Een blaastest is het voorlopig onderzoek van je uitgeademde lucht aan de weg. Zo controleert de politie of je de alcoholgrens overschrijdt.

Een speekseltest is onderzoek van speeksel aan de weg. Zo controleert de politie op een mogelijke overtreding met de aangewezen middelen.

Een ademanalyse is het formele ademonderzoek in een specifiek daarvoor bestemd apparaat. Lukt dat niet, of is er verdenking op middelen, dan kan er een bevel tot bloedonderzoek volgen. Je moet meewerken, behalve als dat om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.

Langs een uitvalsweg tref je een controlepost. De agent vordert een blaastest. Jij blaast en volgt aanwijzingen. Is ademanalyse nodig en lukt die niet, dan werk je mee aan bloedonderzoek, want dat is verplicht.

Sommigen denken dat je kunt kiezen tussen blaastest, speekseltest of bloedonderzoek. Dat klopt niet. Blaastest en speekseltest zijn voorlopig. Ademanalyse is formeel. Weigeren mag niet, behalve bij bijzondere geneeskundige redenen.

Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 1601 Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat motorrijtuig te doen stilhouden alsmede de volgende bewijzen behoorlijk ter inzage af te geven: a. de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen delen van het kentekenbewijs, dan wel het in artikel 37, eerste lid, onderdeel b , bedoelde bewijs, en, indien met het motorrijtuig een aanhangwagen wordt voortbewogen, de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen delen van het kentekenbewijs van de aanhangwagen, dan wel het in artikel 37, eerste lid, onderdeel b, bedoelde bewijs voor de aanhangwagen; b. het rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem buiten Nederland een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs; c. het ingevolge de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders, bedoeld in artikel 151b, onderdeel a , vereiste getuigschrift; d. indien hem ter zake van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift ontheffing is verleend, de beschikking houdende verlening van ontheffing; e. een gehandicaptenparkeerkaart of een kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten, indien hij ter zake van het besturen van het motorrijtuig op grond van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift dient te beschikken over een dergelijke kaart; f. de begeleiderspas. 2 Indien het kentekenbewijs is afgegeven voor een aanhangwagen die overeenkomstig het krachtens deze wet bepaalde is voorzien van een identificatieplaat, kan aan de vordering worden voldaan binnen een bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde termijn. 3 Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een voertuig, niet zijnde een motorrijtuig, verplicht dat voertuig te doen stilhouden en, indien hem ter zake van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift ontheffing is verleend, de beschikking houdende verlening van ontheffing behoorlijk ter inzage af te geven. 4 De in artikel 159 bedoelde personen zijn bevoegd zich te vergewissen van de naleving van de bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften en zo nodig een voertuig ten aanzien waarvan zij een onderzoek wensen in te stellen, naar een nabij gelegen plaats te voeren of te doen voeren. De bestuurder van het voertuig ten aanzien waarvan dit onderzoek wenselijk wordt geoordeeld, en de bestuurder van het voertuig waardoor een aanhangwagen wordt voortbewogen ten aanzien waarvan zodanig onderzoek wenselijk wordt geoordeeld, zijn verplicht desgevorderd hun tot het onderzoek noodzakelijke medewerking te verlenen en desverlangd de in artikel 159 bedoelde personen in hun voertuig te vervoeren. 5 Op de eerste vordering van een van de in artikel 159, onderdeel a , bedoelde personen zijn de bestuurder van een voertuig, degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen en de begeleider, verplicht hun medewerking te verlenen aan: a. een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid , b. een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, tweede of derde lid , of c. een onderzoek van speeksel, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, vijfde lid , alsmede de aanwijzingen die die persoon in dat kader geeft, op te volgen. 6 De bestuurder van een voertuig of de begeleider, die door een der in artikel 159 bedoelde personen in overtreding wordt bevonden van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, is verplicht de hem door die persoon ter bescherming van bij het verkeer betrokken belangen gegeven bevelen op te volgen. 7 Op eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de begeleider verplicht zijn rijbewijs behoorlijk ter inzage af te geven. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Wegenverkeerswet 1994, artikel 1631 Bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8 , kan de opsporingsambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, en artikel 8, derde lid, onderdeel a. 2 De bestuurder aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen. 3 De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. 4 In het geval, bedoeld in het derde lid, of indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, of indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed is van een of meer middelen, bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid , of een combinatie van die middelen met alcohol, kan de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, of artikel 8, derde lid, onderdeel b. 5 Indien de bestuurder zijn op grond van het vierde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek. 6 De bestuurder wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts of een verpleegkundige zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is. 7 Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan hem met toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, door een arts of een verpleegkundige de in het zesde lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen, tenzij aannemelijk is dat dit bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het vijfde lid worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte aan wie een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd. 8 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de wijze van uitvoering van artikel 160, vijfde lid , en van dit artikel. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Justitie en Veiligheid worden in de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld. 9 Het eerste tot en met achtste lid is van overeenkomstige toepassing op de begeleider. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Staande gehouden: stoppen en papieren tonen

Op eerste vordering van bevoegde personen moet je stoppen, je medewerking verlenen aan onderzoek en je rijbewijs en kentekenbewijs behoorlijk ter inzage afgeven.

De politie controleert of je de regels naleeft en mag je om medewerking vragen. Volg instructies of rij naar een nabijgelegen plek voor onderzoek. Je hoeft niets fout te hebben gedaan; bij een vordering stop je.

Ben je begeleider, dan toon je op vordering je rijbewijs en, als dat van toepassing is, je begeleiderspas. Die geef je ter inzage af. Op een woonstraat krijg je een volgteken. Jij stopt in het parkeervak en geeft je rijbewijs en kentekenbewijs af. Dat doe je omdat je op vordering moet stilhouden en bewijzen ter inzage afgeven. Krijg je ter plekke bevelen ter bescherming van verkeersbelangen, dan moet je die volgen. Achter het raam tonen telt niet; je geeft de bewijzen af.

Langs een autoweg geeft een politieauto een volgteken. Je volgt naar de parkeerhaven en stopt. Je geeft rijbewijs en kentekenbewijs af, want bij een vordering moet je stilhouden en afgeven.

Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 1601 Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat motorrijtuig te doen stilhouden alsmede de volgende bewijzen behoorlijk ter inzage af te geven: a. de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen delen van het kentekenbewijs, dan wel het in artikel 37, eerste lid, onderdeel b , bedoelde bewijs, en, indien met het motorrijtuig een aanhangwagen wordt voortbewogen, de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen delen van het kentekenbewijs van de aanhangwagen, dan wel het in artikel 37, eerste lid, onderdeel b, bedoelde bewijs voor de aanhangwagen; b. het rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem buiten Nederland een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs; c. het ingevolge de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders, bedoeld in artikel 151b, onderdeel a , vereiste getuigschrift; d. indien hem ter zake van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift ontheffing is verleend, de beschikking houdende verlening van ontheffing; e. een gehandicaptenparkeerkaart of een kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten, indien hij ter zake van het besturen van het motorrijtuig op grond van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift dient te beschikken over een dergelijke kaart; f. de begeleiderspas. 2 Indien het kentekenbewijs is afgegeven voor een aanhangwagen die overeenkomstig het krachtens deze wet bepaalde is voorzien van een identificatieplaat, kan aan de vordering worden voldaan binnen een bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde termijn. 3 Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een voertuig, niet zijnde een motorrijtuig, verplicht dat voertuig te doen stilhouden en, indien hem ter zake van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift ontheffing is verleend, de beschikking houdende verlening van ontheffing behoorlijk ter inzage af te geven. 4 De in artikel 159 bedoelde personen zijn bevoegd zich te vergewissen van de naleving van de bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften en zo nodig een voertuig ten aanzien waarvan zij een onderzoek wensen in te stellen, naar een nabij gelegen plaats te voeren of te doen voeren. De bestuurder van het voertuig ten aanzien waarvan dit onderzoek wenselijk wordt geoordeeld, en de bestuurder van het voertuig waardoor een aanhangwagen wordt voortbewogen ten aanzien waarvan zodanig onderzoek wenselijk wordt geoordeeld, zijn verplicht desgevorderd hun tot het onderzoek noodzakelijke medewerking te verlenen en desverlangd de in artikel 159 bedoelde personen in hun voertuig te vervoeren. 5 Op de eerste vordering van een van de in artikel 159, onderdeel a , bedoelde personen zijn de bestuurder van een voertuig, degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen en de begeleider, verplicht hun medewerking te verlenen aan: a. een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid , b. een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, tweede of derde lid , of c. een onderzoek van speeksel, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, vijfde lid , alsmede de aanwijzingen die die persoon in dat kader geeft, op te volgen. 6 De bestuurder van een voertuig of de begeleider, die door een der in artikel 159 bedoelde personen in overtreding wordt bevonden van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, is verplicht de hem door die persoon ter bescherming van bij het verkeer betrokken belangen gegeven bevelen op te volgen. 7 Op eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de begeleider verplicht zijn rijbewijs behoorlijk ter inzage af te geven. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Niet rijden bij rijontzegging, ongeldig of ingenomen rijbewijs

Weet je, of hoor je te weten, dat je rijbevoegdheid is ontzegd of je rijbewijs ongeldig, ingenomen of geschorst is? Dan mag je op de weg niet rijden met een voertuig van die categorie.

Een rijontzegging betekent: de rechter verbiedt jou motorrijtuigen te besturen. Houd je daaraan.

Een rijverbod is een besluit: je mag tijdelijk niet rijden. Bijvoorbeeld door je toestand. Rijd niet tot het verbod voorbij is.

Terwijl je bij een sporthal parkeert, vraagt een vriend of jij terugrijdt. Je rijbewijs is ongeldig verklaard voor categorie B. Jij rijdt niet weg en laat de auto staan. Je regelt ander vervoer en haalt de auto later op. Je doet dit omdat je rijbewijs voor die categorie ongeldig is en je pas mag rijden met een nieuw rijbewijs.

Het onderscheid tussen rijontzegging, rijverbod en ongeldig rijbewijs gaat vaak mis. Ongeldig kan per categorie zijn; je bestuurt dan geen voertuig van die categorie. Zijn andere categorieën nog geldig, dan mag je die wel rijden. Is je rijbewijs ingevorderd of ingeleverd en nog niet terug, dan rijd je niets.

Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 91 Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, verboden gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid is ontzegd, op de weg een motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen. 2 Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen. Hetzelfde verbod geldt voor degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid heeft verloren en dat hij bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid , gestelde voorwaarden, tenzij aan hem, nadat hij aan deze voorwaarden heeft voldaan, een ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven. 3 Het tweede lid geldt niet ten aanzien van de bestuurder van een motorrijtuig gedurende de tijd dat aan hem ter verkrijging van een rijbewijs voor de categorie of categorieën van motorrijtuigen waarop de ongeldigverklaring betrekking heeft, rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven en gedurende de tijd dat door hem een rijproef wordt afgelegd in het kader van een onderzoek, door of vanwege de overheid ingesteld, naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid. 4 Het is degene van wie ingevolge artikel 130, tweede lid , de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs is gevorderd, dan wel wiens rijbewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven, te besturen of als bestuurder te doen besturen. 5 Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a , voor een of meer categorieën van motorrijtuigen is geschorst, verboden gedurende de tijd dat de schorsing van kracht is, op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarop de schorsing betrekking heeft, te besturen of als bestuurder te doen besturen. 6 Het vierde en het vijfde lid gelden niet ten aanzien van de bestuurder van een motorrijtuig gedurende de tijd dat door hem een rijproef wordt afgelegd in het kader van een ingevolge artikel 131, eerste lid, onderdeel b , gevorderd onderzoek. Voorts geldt het vijfde lid niet ten aanzien van de bestuurder van een motorrijtuig gedurende de tijd dat aan hem, ter voorbereiding op een onderzoek naar de rijvaardigheid in het kader van een ingevolge artikel 131, eerste lid, onderdeel b, gevorderd onderzoek, rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven. 7 Het is degene van wie ingevolge artikel 164 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs is gevorderd, dan wel van wie zodanig bewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven, te besturen of als bestuurder te doen besturen. 8 Het is degene van wie ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering van het rijbewijs is gevorderd, dan wel wiens rijbewijs krachtens die wet is ingenomen, verboden op de weg een motorrijtuig, voor het besturen waarvan het rijbewijs is afgegeven, te besturen of als bestuurder te doen besturen met ingang van het tijdstip, bedoeld in artikel 30, eerste lid, van die wet . 9 Voor de toepassing van het tweede, vierde, vijfde, zesde en achtste lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Je eigen toestand: reactietijd, remweg en stopafstand

De stopafstand is de afstand van waarnemen tot stilstaan: jouw reactietijd plus de remweg.

Veel verwarring ontstaat bij het rekenen met afstanden. Noteer je de meters die je nog rijdt terwijl je voet naar het rempedaal gaat als remweg, dan klopt je antwoord niet. Dat is de afstand vóór de remactie. Afleiding, ook kort, maakt die meters langer omdat je later begint met remmen. Wegligging telt mee. Lichte regen en spoorvorming zorgen dat je auto langer doorrolt en minder koersvast is, waardoor de afstand na het intrappen van het rempedaal toeneemt.

Rechte autosnelweg met lichte regen en wat spoorvorming; voor je rijdt een bestelauto. Je houdt extra ruimte, laat op tijd gas los, checkt spiegels en remt vroeg, rechtuit en gelijkmatig. Je kijkt ver vooruit en houdt het stuur rustig. Zo beperk je glijden. De reden: stopafstand is de meters vóórdat je remt plus de meters tijdens het remmen, en water en groeven verlengen beide, dus je neemt meer marge.

Afleiding: handheld en handsfree bellen

Handheld en handsfree bellen tijdens het rijden verminderen je oplettendheid en vertragen je reactievermogen.

Handheld bellen is bellen met de telefoon in je hand tijdens het rijden. Handsfree bellen doe je via bijvoorbeeld een carkit of spraakbediening.

Ook zonder telefoon raak je aandacht verdeeld door berichten, navigatie-instellingen en gesprekken met passagiers. Daardoor rem je later en wordt je stopafstand groter.

Op de autosnelweg rijd je naast een vrachtauto wanneer je telefoon overgaat. Je kijkt niet naar het scherm en stelt niets in. Je stopt pas op een parkeerplaats, omdat afleiding je later doet remmen en je stopafstand vergroot.

Handsfree klinkt zorgeloos, maar ook een gesprek verdeelt je aandacht en vergroot je stopafstand. Snel het scherm aanraken voor navigatie kost eveneens reactietijd.

Vlak voor een kruispunt hoor je een berichttoon terwijl je achter een auto rijdt. Je negeert de telefoon en let op het verkeer. Je parkeert daarna, want elk gesprek of scherm vergroot reactietijd en stopafstand.

Je overschat handsfree, ook dan blijft je aandacht verdeeld.

Ook een rijschool nodig?

De theorie leer je hier gratis. Voor de rijlessen heb je een rijschool nodig. Op Ribba vergelijk je rijscholen op het slagingspercentage van het CBR, het prijsniveau en de beoordelingen van eerdere leerlingen.

Rijscholen vergelijken