Hoofdstuk 4 van 11
Veilig rijden en reageren in noodsituaties
Gebruik alleen signalen om gevaar af te wenden, zet de juiste lichten aan bij nacht, slecht zicht, mist en bij stilstaan, en zorg dat iedereen correct is vastgemaakt met gordel of kinderzitje. In nood zet je waarschuwingslichten aan of plaats je een gevarendriehoek volgens de regels.
Waar het CBR naar vraagt: Het gebruik van lichten, geven van signalen, zitplaatsen, gebruik van autogordels en reageren in noodsituaties zoals pech en een ongeluk.
Niveau K+. Je neemt een juiste beslissing in een situatie en laat zien dat je begrijpt hoe de regel werkt. Bijvoorbeeld: wie laat je hier voorgaan?
De borden bij dit hoofdstuk
Klik op een bord voor de betekenis en wat je moet doen.
Signalen: wanneer mag je ze gebruiken
Je gebruikt alleen geluidssignalen en knippersignalen om dreigend gevaar af te wenden.
Optische signalen gebruik je met licht, geluidssignalen met geluid, om je aanwezigheid of gevaar te tonen. Een geluidssignaal is claxonneren, een knippersignaal is licht laten knipperen. Je gebruikt deze signalen alleen om dreigend gevaar af te wenden.
Knipperen om iemand voor te laten is geen gevaar afwenden. Dat mag niet. Claxonneren om te groeten of voor controle waarschuwen hoort er niet bij.
Je rijdt op een smalle landweg. Een tegenligger steekt half jouw rijstrook op; je claxonneert kort en knippert, omdat er botsingsgevaar is en je signalen alleen mag gebruiken om dreigend gevaar af te wenden.
Je rijdt in een woonstraat met geparkeerde auto's aan beide kanten. Een bestuurder steekt achteruit uit een parkeervak en komt met de achterkant op jouw rijstrook. Je remt, claxonneert kort en knippert met je lichten, omdat er botsingsgevaar is en je signalen alleen mag gebruiken om dreigend gevaar af te wenden.
Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 28Bestuurders mogen slechts geluidssignalen en knippersignalen geven ter afwending van dreigend gevaar. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Hulpdiensten en werkvoertuigen: herkenning en signalen
Bij een dringende taak zie je bij hulpdiensten blauw zwaai-, flits- of knipperlicht en hoor je een tweetonige hoorn; bij werkzaamheden mogen voertuigen geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht voeren.
Bij politie, brandweer en spoedeisende medische hulpverlening zie je bij een dringende taak blauw zwaai-, flits- of knipperlicht. Je hoort een tweetonige hoorn. Overdag mogen ze aanvullend knipperende koplampen voeren. Bij bepaalde werkzaamheden zie je voertuigen die soms geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht voeren.
In een woonstraat verschijnt achter je een voertuig met blauw flitslicht en een tweetonige hoorn. Je kijkt in je spiegels, checkt de kleur en let overdag op knipperende koplampen. Dat doe je omdat blauw met die hoorn een dringende taak betekent.
Bij werkzaamheden voert die dienst geel of groen; alleen de eerste uitvoerder mag blauw. Knipperende koplampen zijn aanvullend overdag.
Op een autoweg staat een afzetting met werkvoertuigen met geel of groen licht. Eén voertuig voert blauw licht en een tweetonige hoorn. Jij checkt de signalen, want blauw met die hoorn betekent een dringende taak; geel of groen hoort bij werkzaamheden.
Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 291 Bestuurders van motorvoertuigen in gebruik bij politie en brandweer, motorvoertuigen in gebruik bij diensten voor spoedeisende medische hulpverlening, en motorvoertuigen van andere door Onze Minister aangewezen hulpverleningsdiensten voeren blauw zwaai-, flits- of knipperlicht en een tweetonige hoorn om kenbaar te maken dat zij een dringende taak vervullen. 2 De in het eerste lid genoemde bestuurders mogen aanvullend op de in dat lid bedoelde verlichting overdag knipperende koplampen voeren. 3 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht, de tweetonige hoorn en de knipperende koplampen. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 301 Bestuurders van motorvoertuigen die voor nader aan te geven werkzaamheden worden gebruikt, voeren onder nader aan te geven omstandigheden geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht. De in artikel 29, eerste lid , genoemde bestuurders voeren in die gevallen geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht in plaats van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht. De bestuurder van het motorvoertuig die als eerste of enige de plek bereikt om de daar aan hem opgedragen taak uit te voeren, mag in plaats van dat licht, blauw zwaai-, flits- of knipperlicht voeren. 2 Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld betreffende het geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht en de werkzaamheden en omstandigheden waarbij deze signalen worden gevoerd. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Dimlicht en groot licht tijdens het rijden
Bij nacht en bij ernstig belemmerd zicht overdag voer je dimlicht, en groot licht mag daarvoor in de plaats behalve overdag, bij het tegenkomen en bij kort volgen.
Bij nacht of bij ernstig belemmerd zicht overdag voer je dimlicht. Dimlicht is je normale rijlicht.
Je mag groot licht voeren in plaats van dimlicht, behalve overdag, bij tegenkomen, en bij volgen op korte afstand. Groot licht is fel.
Achterlicht en de verlichting van de achterkentekenplaat branden altijd samen met groot licht, dimlicht, stadslicht of mistlicht.
Op een onverlichte landweg nader je een tegenligger. Je gebruikt eerst groot licht; zodra je de gloed van zijn koplampen ziet, schakel je naar dimlicht. Dat doe je omdat groot licht niet mag bij tegenkomen of dicht volgen.
Bij schemer of regen: zolang de zon niet onder is, is het dag. Geen groot licht; bij slecht zicht overdag gebruik je dimlicht.
Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 321 Bestuurders van een motorvoertuig, een bromfiets, een snorfiets, niet zijnde een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet , een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een verbrandingsmotor, of een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een elektromotor en voorzien van een gesloten carrosserie, voeren bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht dimlicht. Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een elektromotor en niet is voorzien van een gesloten carrosserie voeren alsdan de in artikel 5.18.43, eerste lid, van de Regeling voertuigen bedoelde lichten. 2 Het voeren van groot licht in plaats van dimlicht is toegestaan behoudens in de volgende gevallen: a. bij dag; b. bij het tegenkomen van een andere weggebruiker en c. bij het op korte afstand volgen van een ander voertuig. 3 Achterlicht en de verlichting van de achterkentekenplaat moeten steeds gelijktijdig met groot licht, dimlicht, stadslicht of mistlicht branden. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Mistlicht voor en achter
Je mag voor mistlicht voeren bij mist, sneeuwval of regen met ernstig belemmerd zicht; mistachterlicht alleen bij mist of sneeuwval en zicht onder 50 meter.
Bij mist, sneeuwval of regen die het zicht ernstig belemmert, mag je mistlicht aan de voorzijde voeren. Je hoeft dan geen dimlicht te voeren. Mistachterlicht mag alleen bij mist of sneeuwval als het zicht minder dan 50 meter is.
Over de autoweg hangt zware regen en het zicht is slecht. Ik gebruik het mistlicht aan de voorzijde en laat het mistachterlicht uit. Dat doe ik omdat regen niet geldt voor het mistachterlicht, maar het voorste mistlicht mag.
Voor en achter worden vaak door elkaar gehaald. Voorzijde mag bij regen, achterzijde niet; achter mag onder 50 meter bij mist of sneeuwval.
Soms wordt gedacht dat elke regen het voorste mistlicht toestaat. Dat klopt pas als de regen het zicht ernstig belemmert. De grens van 50 meter hoort alleen bij het mistachterlicht, en alleen bij mist of sneeuwval. Dat achterlicht aanzetten bij regen is fout. Dimlicht hoeft er niet bij.
Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 341 Bij mist, sneeuwval of regen, die het zicht ernstig belemmert, mogen bestuurders van een motorvoertuig en van een gehandicaptenvoertuig mistlicht aan de voorzijde voeren. In dat geval hoeven die bestuurders geen dimlicht te voeren. 2 Bij mist of sneeuwval, die het zicht beperkt tot een afstand van minder dan 50 meter mag mistachterlicht worden gevoerd. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Dagrijlicht en extra voorlichten
Overdag mag je dagrijlicht voeren, niet samen met andere voorlichten. Extra lichten mogen met dimlicht of mistlicht aan de voorzijde. Manoeuvreerlichten alleen tot 10 km per uur.
Bij slecht zicht gebruik je dimlicht; overdag mag je dagrijlicht voeren, niet samen met andere voorlichten. Dagrijlicht is voor gezien worden. Als de Regeling voertuigen het toelaat, mag je met dimlicht of mistlicht aan de voorzijde bochtlicht, hoeklicht, manoeuvreerlichten, markeringslichten of staaklichten voeren. Deze zijn extra lichten. Manoeuvreerlichten: maximaal 10 km per uur toegestaan.
Dagrijlicht is geen dimlicht. Het is om gezien te worden en brandt nooit samen met andere voorlichten. Extra lichten alleen met dimlicht of mistlicht. Manoeuvreerlichten: tot 10 km per uur.
Tijdens een bui op een woonstraat is het zicht slecht. Jij schakelt dimlicht in en stuurt een bocht met bochtlicht, want extra lichten horen bij dimlicht of mistlicht. Daarom kies je dimlicht.
Kies niet voor dagrijlicht bij slecht zicht; extra lichten mogen alleen met dimlicht of mistlicht, manoeuvreerlichten tot 10 km per uur. Dag betekent tussen zonsopgang en zonsondergang; daarbuiten hoort dagrijlicht niet.
Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 411 Onverminderd artikel 32, eerste lid , mogen bestuurders van een motorvoertuig bij dag dagrijlicht voeren. Het dagrijlicht wordt niet tegelijk met enig ander licht aan de voorzijde van het voertuig gevoerd. 2 Bestuurders van een motorvoertuig mogen, indien deze verlichting krachtens de Regeling voertuigen voor dat motorvoertuig is toegestaan, tegelijk met dimlicht of mistlicht aan de voorzijde bochtlicht, hoeklicht, manoeuvreerlichten, markeringslichten of staaklichten voeren, waarbij voor het mogen voeren van manoeuvreerlichten een maximumsnelheid geldt van 10 km per uur. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Aanhangwagenverlichting tijdens het rijden
Gekoppelde aanhangwagens voeren bij nacht en bij ernstig belemmerd zicht overdag achterlicht, kentekenplaatverlichting en het voorgeschreven stadslicht.
Rijd je met een aanhangwagen? Bij nacht en bij ernstig belemmerd zicht overdag voert die achterlicht, kentekenplaatverlichting en het voorgeschreven stadslicht. Stadslicht is de term voor de voorgeschreven voorlichten.
Na zonsondergang op een landweg rijd je met een aanhangwagen. Je schakelt achterlicht, kentekenplaatverlichting en stadslicht op de aanhangwagen in, omdat die verlichting dan verplicht is.
Soms denk je dat de lampen van de auto genoeg zijn. Het moet op de aanhangwagen zelf, inclusief kentekenplaatverlichting en stadslicht, ook overdag bij ernstig belemmerd zicht. Alleen achterlicht is niet genoeg; ook de kentekenplaat moet verlicht zijn.
Een buitenweg bij hevige regen, midden op de dag. Je trekt een aanhangwagen en het zicht is kort. Je zet achterlicht, kentekenplaatverlichting en stadslicht op de aanhangwagen aan. Zo ben je zichtbaar en is de kentekenplaat leesbaar. Je doet dit omdat bij dag met ernstig belemmerd zicht die verlichting verplicht is.
Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 33Gekoppelde aanhangwagens moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht achterlicht, verlichting van de achterkentekenplaat en het in de Regeling voertuigen voorgeschreven stadslicht voeren. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Verlichting bij stilstaan buiten de bebouwde kom en langs auto(snel)wegen
Sta je buiten de bebouwde kom stil op rijbaan, parkeerstrook of -haven, of op vluchtstrook of -haven langs autosnelwegen en autowegen, dan voer je bij nacht en overdag bij ernstig belemmerd zicht stadslicht en achterlicht; een stilstaande aanhangwagen voert achterlicht en voorgeschreven stadslicht.
Sta je met een motorvoertuig op meer dan twee wielen buiten de bebouwde kom stil op de rijbaan of op parkeerstrook, parkeerhaven, vluchtstrook of vluchthaven langs autosnelwegen en autowegen, dan voer je bij nacht en overdag bij ernstig belemmerd zicht stadslicht en achterlicht. Staat je aanhangwagen in zulke situaties stil, dan voert die achterlicht en voorgeschreven stadslicht bij nacht en overdag bij ernstig belemmerd zicht.
Je staat bij dichte regen overdag met aanhangwagen op de vluchtstrook van een autosnelweg. Je zet stadslicht en achterlicht van auto en aanhangwagen aan, want dat is hier bij ernstig belemmerd zicht verplicht.
Buiten en binnen de bebouwde kom worden vaak verward; de plicht geldt alleen buiten. Parkeerstrook of -haven is geen parkeerplaats. De regel noemt motorvoertuigen op meer dan twee wielen; een aanhangwagen voert eigen licht. Een parkeerplaats bij een tankstation telt niet mee. Daar hoef je dit licht niet.
Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 38Bestuurders van een motorvoertuig op meer dan twee wielen, die buiten de bebouwde kom stilstaan op de rijbaan en op langs autosnelwegen en autowegen gelegen parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens moeten bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht stadslicht en achterlicht voeren. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 39Stilstaande aanhangwagens moeten buiten de bebouwde kom op de rijbaan en op langs autosnelwegen en autowegen gelegen parkeerstroken, parkeerhavens, vluchtstroken en vluchthavens bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht achterlicht en het in de Regeling voertuigen voorgeschreven stadslicht voeren. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Pech of ongeval: gevarendriehoek en waarschuwingslichten
Vormt je stilstaande voertuig een obstakel dat naderende bestuurders te laat zien, plaats dan een gevarendriehoek ongeveer 30 meter ervoor, richting het verkeer, behalve als je knipperend waarschuwingslicht voert.
Staat je auto of aanhangwagen stil en vormt hij een onverwacht obstakel, zet dan een gevarendriehoek. Plaats de gevarendriehoek op de weg, goed zichtbaar, ongeveer 30 meter ervoor, naar verkeer in gevaar. Je plaatst geen gevarendriehoek als je knipperend waarschuwingslicht voert.
Langs een landweg strand je net na een onoverzichtelijke bocht; verkeer komt van achter. Je voert knipperend waarschuwingslicht, geen driehoek. Dat mag, want bij knipperend waarschuwingslicht geldt de plicht tot de driehoek niet.
Soms plaats je toch beide; onnodig, want bij knipperend waarschuwingslicht vervalt de plicht. Zet de driehoek in de richting van het gevaar. Je gebruikt hem niet voor motorfietsen, wel voor aanhangwagens.
Net na een heuveltop op een autoweg strand je op de rechterrijstrook. Je zet de gevarendriehoek ongeveer 30 meter ervoor. Dat moet, want je voertuig is anders niet tijdig zichtbaar; de plicht geldt, tenzij je knipperend waarschuwingslicht voert.
Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 581 Stilstaande motorvoertuigen op meer dan twee wielen en aanhangwagens moeten worden aangeduid door een gevarendriehoek, indien het voertuig een obstakel vormt dat door naderende bestuurders niet tijdig als zodanig kan worden opgemerkt. 2 De gevarendriehoek moet goed zichtbaar op de weg worden geplaatst op een afstand van ongeveer 30 meter van het voertuig en in de richting van het verkeer waarvoor het voertuig gevaar oplevert. 3 Het eerste lid geldt niet wanneer knipperend waarschuwingslicht wordt gevoerd. § 26a. Zitplaatsen Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Autogordels en kinderbeveiligingssystemen: basis
Je gebruikt als bestuurder en passagier de beschikbare autogordel. Kinderen jonger dan 18 en korter dan 1,35 meter gaan in een geschikt kinderbeveiligingssysteem met keurmerk. Op zitplaatsen met gordels neem je niet meer passagiers mee dan er gordels zijn.
Je en je passagiers gebruiken in personenauto’s, bedrijfsauto’s, driewielige motorvoertuigen met gesloten carrosserie en brommobielen de autogordel. Autogordel: veiligheidsgordel.
Passagiers jonger dan 18 en korter dan 1,35 meter gebruiken een geschikt kinderbeveiligingssysteem met het vereiste keurmerk. Kinderbeveiligingssysteem: kinderzitje.
Hebben de passagierszitplaatsen autogordels? Dan neem je daar niet meer passagiers mee dan er gordels zijn.
Rijd je in een voertuig zonder autogordels of kinderbeveiligingssysteem, dan vervoer je geen passagiers jonger dan 3 jaar. Passagiers van 3 tot 18 jaar die korter zijn dan 1,35 meter zet je niet op een voorste zitplaats.
Een naar achteren gericht kinderbeveiligingssysteem gebruik je niet op een zitplaats met een voorairbag. Tenzij die airbag is uitgeschakeld of automatisch toereikend wordt uitgeschakeld.
Gebruik de gordel of het kinderbeveiligingssysteem zo dat de bescherming goed werkt. Personen van 18 jaar en ouder, en wie geen kinderbeveiligingssysteem hoeft te gebruiken, mogen een voorziening gebruiken die het diagonale deel van de gordel over de schouder leidt.
Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 591 Bestuurders van een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel en hun passagiers maken gebruik van de voor hen beschikbare autogordel. Passagiers die jonger zijn dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter, maken gebruik van een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem dat is voorzien van een keurmerk als bedoeld in artikel 22, vijfde lid, van de wet . Wanneer de zitplaatsen die bestemd zijn voor passagiers voorzien zijn van autogordels, worden op deze zitplaatsen niet meer passagiers vervoerd dan er autogordels aanwezig zijn. 2 Met een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel die niet zijn uitgerust met een autogordel of kinderbeveiligingssysteem als bedoeld in het eerste lid, worden geen passagiers vervoerd die jonger zijn dan 3 jaar en worden passagiers in de leeftijd van 3 tot 18 jaar met een lengte van minder dan 1,35 meter op een andere zitplaats dan een van de voorste zitplaatsen vervoerd. 3 Passagiers die jonger zijn dan 18 jaar, worden niet in een naar achteren gericht kinderbeveiligingssysteem op een passagierszitplaats met een voorairbag vervoerd, tenzij deze airbag is uitgeschakeld of automatisch op toereikende wijze wordt uitgeschakeld. 4 Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een rolstoel. Deze passagiers worden vervoerd in een rolstoel die in het voertuig wordt vastgezet op een wijze die de stabiliteit van de rolstoel en de veiligheid van de rolstoelgebruiker waarborgt. Deze passagiers maken gebruik van: a. de voor hen beschikbare veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het voertuig, b. de veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het systeem waarmee de rolstoel aan de vloer van het voertuig is bevestigd, of c. een door Onze Minister aangewezen constructie. 5 Het eerste lid, tweede volzin, en het tweede lid zijn niet van toepassing tijdens vervoer in taxi’s. In taxi’s waarin geen kinderbeveiligingssysteem aanwezig is, worden passagiers die jonger zijn dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter op een andere zitplaats dan een van de voorste zitplaatsen vervoerd. 6 Het eerste lid voor zover dat op bestuurders betrekking heeft en het vierde lid gelden niet tijdens het vervoer van passagiers tegen vergoeding in de zin van de Wet personenvervoer 2000 en tijdens vraagafhankelijk openbaar vervoer in taxi’s, anders dan in de gevallen waarin een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 81, tweede lid, van die wet , of anders dan tijdens taxivervoer in een taxi die is ingericht voor rolstoelvervoer overeenkomstig de daaromtrent gestelde eisen in de Regeling voertuigen . 7 De autogordel, de veiligheidsgordel of het kinderbeveiligingssysteem wordt gebruikt op een wijze die de beschermende werking ervan niet negatief beïnvloedt of kan beïnvloeden. Personen van 18 jaar en ouder en personen onder de 18 jaar die in de betrokken omstandigheden geen gebruik hoeven maken van een kinderbeveiligingssysteem, kunnen een voorziening gebruiken door middel waarvan het diagonale deel van de autogordel over de schouder wordt geleid. Onze Minister kan aan een dergelijke voorziening nadere eisen stellen. 8 Het is bestuurders van de in het eerste lid genoemde voertuigen verboden passagiers jonger dan 12 jaar en passagiers die gebruik maken van een rolstoel te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven. 9 Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een ligplaats. Deze passagiers maken, indien beschikbaar, gebruik van de daarvoor bestemde veiligheidsvoorziening die deel uitmaakt van het voertuig of van het systeem waarmee de ligplaats aan de vloer van het voertuig is bevestigd. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Uitzonderingen: taxi, rolstoel, ligplaats en verbod anders te vervoeren
Rolstoelgebruikers worden in een vastgezette rolstoel met gordel vervoerd en er zijn uitzonderingen voor taxi’s en betaald vervoer, maar de middelen moeten correct worden gebruikt.
Je vervoert een rolstoelgebruiker in een rolstoel die in het voertuig vaststaat. De rolstoel staat stabiel en de gebruiker zit veilig. De passagier gebruikt de beschikbare veiligheidsgordel van het voertuig, de gordel van het vastzetsysteem, of een aangewezen constructie.
In taxi’s geldt de plicht voor een kinderbeveiligingssysteem niet. Ook de regels voor voertuigen zonder gordels gelden daar niet. Ontbreekt zo’n systeem, dan zit een passagier die korter is dan 1,35 meter en jonger dan 18 jaar niet voorin.
Bij vervoer tegen vergoeding en vraagafhankelijk openbaar vervoer in taxi’s gelden gordelplicht voor bestuurders en rolstoelbepaling niet. Bestuurder is wie het voertuig bestuurt. Uitzondering: geldt een overeenkomst als bedoeld, of is de taxi ingericht voor rolstoelvervoer volgens de eisen.
Bestuurders mogen deze passagiers niet anders vervoeren dan hier is voorgeschreven. Het gaat om passagiers jonger dan 12 jaar en om rolstoelgebruikers.
Voor passagiers met een ligplaats geldt de algemene gordelplicht niet. Is die beschikbaar, dan gebruiken zij de daarvoor bestemde veiligheidsvoorziening.
Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 591 Bestuurders van een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel en hun passagiers maken gebruik van de voor hen beschikbare autogordel. Passagiers die jonger zijn dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter, maken gebruik van een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem dat is voorzien van een keurmerk als bedoeld in artikel 22, vijfde lid, van de wet . Wanneer de zitplaatsen die bestemd zijn voor passagiers voorzien zijn van autogordels, worden op deze zitplaatsen niet meer passagiers vervoerd dan er autogordels aanwezig zijn. 2 Met een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel die niet zijn uitgerust met een autogordel of kinderbeveiligingssysteem als bedoeld in het eerste lid, worden geen passagiers vervoerd die jonger zijn dan 3 jaar en worden passagiers in de leeftijd van 3 tot 18 jaar met een lengte van minder dan 1,35 meter op een andere zitplaats dan een van de voorste zitplaatsen vervoerd. 3 Passagiers die jonger zijn dan 18 jaar, worden niet in een naar achteren gericht kinderbeveiligingssysteem op een passagierszitplaats met een voorairbag vervoerd, tenzij deze airbag is uitgeschakeld of automatisch op toereikende wijze wordt uitgeschakeld. 4 Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een rolstoel. Deze passagiers worden vervoerd in een rolstoel die in het voertuig wordt vastgezet op een wijze die de stabiliteit van de rolstoel en de veiligheid van de rolstoelgebruiker waarborgt. Deze passagiers maken gebruik van: a. de voor hen beschikbare veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het voertuig, b. de veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het systeem waarmee de rolstoel aan de vloer van het voertuig is bevestigd, of c. een door Onze Minister aangewezen constructie. 5 Het eerste lid, tweede volzin, en het tweede lid zijn niet van toepassing tijdens vervoer in taxi’s. In taxi’s waarin geen kinderbeveiligingssysteem aanwezig is, worden passagiers die jonger zijn dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter op een andere zitplaats dan een van de voorste zitplaatsen vervoerd. 6 Het eerste lid voor zover dat op bestuurders betrekking heeft en het vierde lid gelden niet tijdens het vervoer van passagiers tegen vergoeding in de zin van de Wet personenvervoer 2000 en tijdens vraagafhankelijk openbaar vervoer in taxi’s, anders dan in de gevallen waarin een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 81, tweede lid, van die wet , of anders dan tijdens taxivervoer in een taxi die is ingericht voor rolstoelvervoer overeenkomstig de daaromtrent gestelde eisen in de Regeling voertuigen . 7 De autogordel, de veiligheidsgordel of het kinderbeveiligingssysteem wordt gebruikt op een wijze die de beschermende werking ervan niet negatief beïnvloedt of kan beïnvloeden. Personen van 18 jaar en ouder en personen onder de 18 jaar die in de betrokken omstandigheden geen gebruik hoeven maken van een kinderbeveiligingssysteem, kunnen een voorziening gebruiken door middel waarvan het diagonale deel van de autogordel over de schouder wordt geleid. Onze Minister kan aan een dergelijke voorziening nadere eisen stellen. 8 Het is bestuurders van de in het eerste lid genoemde voertuigen verboden passagiers jonger dan 12 jaar en passagiers die gebruik maken van een rolstoel te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven. 9 Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een ligplaats. Deze passagiers maken, indien beschikbaar, gebruik van de daarvoor bestemde veiligheidsvoorziening die deel uitmaakt van het voertuig of van het systeem waarmee de ligplaats aan de vloer van het voertuig is bevestigd. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Termen uit de auto: wat bedoelt het CBR precies
Waarschuwingslichten, claxonneren, achteruitrijlicht, linker en rechter dimlicht, driepuntsgordel en heupgordel zijn namen voor functies of onderdelen die je veilig gebruikt of herkent.
Waarschuwingslichten laten alle richtingaanwijzers tegelijk knipperen bij gevaar of pech. Zo waarschuw je anderen. Claxonneren is het geven van een geluidssignaal met de claxon. Een achteruitrijlicht is een wit licht achter op de auto. Het brandt bij achteruitrijden, zodat anderen zien dat je achteruit rijdt en je pad verlicht is. Linker dimlicht en rechter dimlicht zijn de twee dimlichtkoplampen voor op de auto. Eén links, één rechts op de auto. Een driepuntsgordel heeft een diagonaal en een heupdeel. Die lopen over schouder en heup. Een heupgordel loopt alleen over de heupen.
Regelmatig verwar je claxonneren met lichtseinen; claxonneren is alleen de claxon.
Na het inschakelen van je verlichting op een parkeerplaats zie je linksvoor licht, rechtsvoor niet. Je benoemt het als een storing aan het rechter dimlicht. Dat klopt, want ‘linker dimlicht en rechter dimlicht’ zijn de twee dimlichtkoplampen, elk apart benoemd.
Achteruitrijlicht is wit, remlicht is rood.
Ook een rijschool nodig?
De theorie leer je hier gratis. Voor de rijlessen heb je een rijschool nodig. Op Ribba vergelijk je rijscholen op het slagingspercentage van het CBR, het prijsniveau en de beoordelingen van eerdere leerlingen.
Rijscholen vergelijken