Motorolie
Motorolie smeert, koelt en houdt vuil vast. Zo blijft je motor betrouwbaar.
Motorolie legt een dunne film tussen bewegende delen. Daardoor slijten zuigers, lagers en nokkenassen veel minder. De motor loopt soepel. Olie neemt warmte op en brengt die naar koelere plekken, ook naar het carter. Ze houdt vuil en verbrandingsresten zwevend tot het oliefilter. Met te weinig of vuile olie kan je motor vastlopen of zwaar beschadigen.
Het rode oliekannetje op je dashboard is het oliedruklampje. Gaat het branden tijdens het rijden? Dan is de oliedruk te laag. Stop veilig en zet de motor uit om schade te voorkomen. Sommige auto's melden een laag oliepeil of tonen het peil digitaal. Bij oudere of simpele modellen meet je met een peilstok. Controleer op vlakke ondergrond en volg de markeringen bij het bijvullen.
Te weinig olie smeert slecht. Te veel olie is ook fout. Een te hoog peil kan schuimen en via ontluchting of afdichtingen ellende geven. Vul in kleine stappen bij en controleer opnieuw. Gebruik olie volgens de specificaties van jouw auto. Je vindt die in het instructieboekje of onder de motorkap. Olieverbruik verschilt per motor en rijstijl. Moet je vaak bijvullen, kijk dan op lekkage bij carter, oliefilter en vuldop.
Motorolie speelt ook mee bij controles van emissiesystemen. Ze kijken of motor en emissiebeheersing op bedrijfstemperatuur zijn. Dat toetsen ze ook via de motorolietemperatuur, gemeten met een olietemperatuurmeter. Dat is vooral relevant bij keuringen en onderhoud. In jouw dagelijks gebruik telt iets anders. Houd het peil op orde, gebruik de juiste olie en neem lampjes serieus. Regelmatig controleren en op tijd verversen houden motor en emissiesysteem gezond.
Wat je moet onthouden
- Gaat het rode oliedruklampje branden tijdens het rijden? Stop veilig en zet de motor uit. Rijd pas weer als de oorzaak duidelijk is en verholpen.
- Controleer het oliepeil regelmatig, bijvoorbeeld voor een lange rit of bij een melding. Vul in kleine stappen bij en controleer opnieuw.
- Vul alleen olie bij die voldoet aan de specificatie van jouw motor. Voorkom morsen op hete onderdelen.
- Moet je vaker dan normaal bijvullen, let op lekkage rond carter, oliefilter en vuldop. Laat zo nodig de oorzaak onderzoeken.
Misverstanden
- Aannemen dat het oliepeil goed is zolang er geen melding verschijnt. Sensoren zien niet elk probleem.
- Het gele service- of storingslampje verwarren met het rode oliedruklampje. Het rode oliedruklampje vraagt directe actie.
- Te veel olie in één keer bijvullen. Dan stijgt het peil boven maximum en ontstaan nieuwe problemen.
Niet verwarren met
- oliepeil Motorolie gaat om de smeervloeistof zelf en haar functie in de motor, niet om het niveau waarop die hoeveelheid is gemeten.
- ruitensproeiervloeistof Motorolie smeert en koelt inwendige motordelen; het is geen ruitenreinigingsvloeistof.
Bron: Regeling voertuigen, artikel 40Controle werking emissiebeheersingssysteem 1. De goede werking van het emissiebeheersingssysteem wordt gecontroleerd door meting van de lambdawaarde en het koolmonoxidegehalte van de uitlaatgassen bij verhoogd toerental en door meting van het koolmonoxidegehalte bij stationair toerental. 2. Voor elke meting wordt gecontroleerd of de motor en het emissiebeheersingssysteem op bedrijfstemperatuur zijn. Hieraan wordt voldaan, indien de motor gedurende drie minuten op een toerental van ongeveer 3.000 omw/min heeft gedraaid en: a. een proefrit heeft plaatsgevonden, of b. de motorolietemperatuur minimaal 80 °C bedraagt. De motorolietemperatuur moet worden gecontroleerd met behulp van een deugdelijke olietemperatuurmeter. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Regeling voertuigen, artikel 44Roetmeting 1. Van personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen voorzien van een verbrandingsmotor met compressieontsteking, mag de hoeveelheid roet, uitgedrukt in de absorptiecoëfficiënt (k-waarde) van de uitlaatgassen, de volgende waarden niet overschrijden: a. 3,0 m -1 voor een motor met drukvulling, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1979 doch vóór 1 juli 2008; b. 2,5 m -1 voor een motor met natuurlijke aanzuiging, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1979 doch vóór 1 juli 2008; c. 1,5 m -1 voor een motor met drukvulling of natuurlijke aanzuiging, indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 2008 doch vóór 1 januari 2018; d. 0,7 m -1 voor een motor met drukvulling of natuurlijke aanzuiging, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017. Wanneer in het kentekenregister een hogere absorptiecoëfficiënt staat vermeld dan die bedoeld in de aanhef en onderdelen a tot en met d, mag deze hogere waarde worden aangehouden. 2. Om de maximumhoeveelheid roet, bedoeld in het eerste lid, te bepalen, worden de volgende in de roetmeter in te voeren meetwaarden gehanteerd: a. het stationaire toerental. Het betreft het werkelijke stationaire toerental, waarbij ten behoeve van het invoeren in de roetmeter wordt aangehouden een: 1°. minimumtoerental van 400 min -1 ; 2°. maximumtoerental van 1.000 min -1 ; b. het afregeltoerental. Het afregeltoerental wordt geschat. Voor het in te voeren minimum- en maximumtoerental wordt een ruime marge aangehouden, zodat het geschatte afregeltoerental binnen die waarden valt; en c. een minimum motorolietemperatuur van 60 °C. 3. De roetmeting blijft achterwege, indien de personenauto, de bedrijfsauto of de bus is uitgerust met een comprex-lader of indien het een seriehybride elektrisch voertuig betreft. 4. Indien een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg is uitgerust met een volautomatische versnellingsbak: a. wordt de motorolie op temperatuur gebracht door stationair draaien van de motor of door middel van een rit, en b. vinden per test niet meer dan zes metingen plaats. 5. De motorolietemperatuur moet de minimum waarde hebben bereikt. Indien het technisch niet mogelijk is de olietemperatuur te meten, waardoor de roetmeter aangeeft dat de olietemperatuur te laag is, mag de meting worden uitgevoerd met uitgeschakelde beveiliging. Indien de temperatuuropnemer niet in de motor is ingebracht, omdat duidelijk is dat de motorolie op de vereiste temperatuur is, mag eveneens met uitgeschakelde beveiliging worden gemeten. 6. Het stationaire toerental dient binnen de in de roetmeter ingebrachte waarden te vallen. Indien dit niet het geval is, moet het stationaire toerental van de motor worden bijgesteld tot een waarde, die ligt tussen de ingebrachte waarden. Hierna kan verder worden gegaan met de meting. Is bijstellen niet mogelijk of wenselijk dan moet worden gestopt met de meting en kan het voertuig niet worden goedgekeurd. 7. Het afregeltoerental dient binnen de in de roetmeter ingebrachte waarden te vallen. Indien dit niet het geval is, dan moet het afregeltoerental in de roetmeter worden gewijzigd, zodat het afregeltoerental van de motor binnen de ingebrachte waarden valt. 8. Indien tijdens de keuring blijkt dat de brandstofpomp zodanig is afgesteld dat de maximumsnelheid van het voertuig lager is dan 60 km/h, wordt het voertuig alsnog afgekeurd. De brandstofpomp dient in dergelijk geval opnieuw te worden afgesteld, waarna de roetmeting opnieuw moet worden uitgevoerd. 9. De meetprocedure mag worden afgebroken, indien de roetmeter aangeeft, dat de absorptiecoëfficiënt van de eerste of tweede meting kleiner of gelijk is dan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m –1 , waarbij is voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid. 10. Indien de absorptiecoëfficiënt aan de hand van de roetmeetstrook moet worden bepaald omdat de absorptiecoëfficiënt van de eerste en tweede meting niet kleiner of gelijk is dan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m –1 , dan mogen de verschillen van de afregeltoerentallen van de metingen waarmee de gemiddelde absorptiecoëfficiënt wordt bepaald, niet meer dan 10% bedragen van het hoogste afregeltoerental. Het onderling verschil in absorptiecoëfficiënt (de bandbreedte) tussen drie opeenvolgende testen mag niet groter zijn dan: a. 0,5 m –1 als de berekende k-waarde kleiner of gelijk is aan 2,5 m –1 , en b. 0,7 m –1 als de berekende k-waarde groter is dan 2,5 m –1 . Lees het artikel op wetten.overheid.nl Regeling voertuigen, artikel 45Wijze van keuren 1. De controle geschiedt door meting aan een stilstaande personenauto, bedrijfsauto of bus met een roetmeter, die ten minste gedurende de door de fabrikant van de roetmeter opgegeven opwarmtijd onder elektrische spanning heeft gestaan. 2. Vóór elke meting wordt gecontroleerd of het monsterafnamesysteem en de desbetreffende verbindingskabels in goede staat verkeren, waarbij in het bijzonder moet worden gelet op beschadigingen. 3. De sonde wordt op de wijze, zoals beschreven in de handleiding van de desbetreffende roetmeter, in de uitmonding van het uitlaatsysteem ingebracht. Eventuele aanwijzingen in de handleiding met betrekking tot de te gebruiken sonde moeten worden gevolgd. 4. Indien het uitlaatsysteem meer dan één uitmonding heeft, beperkt de meting zich tot één uitmonding. 5. De motorolietemperatuur wordt gemeten met behulp van een temperatuuropnemer welke op de wijze, zoals beschreven in de handleiding van de desbetreffende roetmeter, in de motor wordt ingebracht. Eventuele aanwijzingen in de handleiding met betrekking tot de te gebruiken temperatuuropnemer moeten worden gevolgd. 6. Het stationaire toerental en afregeltoerental moeten worden ingevoerd in de roetmeter en gecontroleerd met behulp van een toerenteller. Zo nodig wordt het stationair toerental afgesteld, alvorens met de meting wordt begonnen. Eventuele aanwijzingen in de handleiding moeten worden gevolgd. 7. Bij elke meting moet het gaspedaal snel en zonder onderbreking binnen één seconde tot aan de aanslag worden ingedrukt. § 3. Emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem (EOBD) Lees het artikel op wetten.overheid.nl Regeling voertuigen, artikel 8.4.121 Alvorens tot de meting wordt overgegaan, moeten de gegevens, bedoeld in artikel 8.4.10, eerste lid, onderdeel b , in de roetmeter kunnen worden ingevoerd. 2 De programmatuur van de roetmeter moet zodanig zijn dat degene die het apparaat bedient automatisch door de in het derde lid bedoelde meetprocedure wordt geleid. 3 De meetprocedure moet achtereenvolgens ten minste de volgende stappen doorlopen: a. invoeren van de gegevens, bedoeld in artikel 8.4.10, eerste lid, onderdelen b en c ; b. automatische controle of: 1°. alle gegevens, bedoeld in onderdeel a, zijn ingevoerd; 2°. de minimum motorolietemperatuur, bedoeld in artikel 8.4.3, onderdeel e , is bereikt, tenzij deze controle is uitgeschakeld; 3°. het stationair toerental gedurende 5 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt; en 4°. het afregeltoerental gedurende 2 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt; c. indien de resultaten van de onder punt b uitgevoerde controle juist zijn, mag de roetmeter de testprocedure vrijgeven; d. nadat het stationair toerental na een periode van ten minste 10 seconden gedurende 5 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt, wordt aangeven dat het gaspedaal moet worden ingedrukt; e. nadat het afregeltoerental 2 seconden is gehandhaafd, wordt aangegeven dat het gaspedaal moet worden losgelaten; f. de roetmeter geeft aan dat de meetprocedure wordt beëindigd indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste of de tweede test kleiner is dan of gelijk is aan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m –1 . In dit geval is de absorptiecoëfficiënt van de eerste of de tweede test de berekende absorptiecoëfficiënt, bedoeld in onderdeel g. Indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste test of van zowel de eerste als de tweede test niet kleiner is dan of gelijk is aan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m –1 , worden de punten d en e automatisch eenmaal herhaald; g. automatisch, indien van toepassing, wordt het rekenkundig gemiddelde van de absorptiecoëfficiënten van drie achtereenvolgende testen berekend. Indien de berekende absorptiecoëfficiënt kleiner of gelijk is aan 2,5 m –1 , mogen de meetwaarden van deze drie testen onderling niet meer afwijken dan 0,5 m –1 . Indien de berekende absorptiecoëfficiënt groter is dan 2,5 m –1 , mogen de meetwaarden van deze drie testen onderling niet meer afwijken dan 0,7 m –1 . Indien blijkt dat de afwijking groter is dan 0,5 m –1 respectievelijk 0,7 m –1 , moet de test een of meerdere keren worden herhaald, waarbij de berekening telkens opnieuw wordt uitgevoerd. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Regeling voertuigen, artikel 8.4.18In deze paragraaf wordt verstaan onder: olietemperatuurmeter: meetinstrument voor het bepalen van de temperatuur van de olie van een voertuigmotor; geïntegreerde olietemperatuurmeter: olietemperatuurmeter deel uitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel; temperatuuropnemer: onderdeel van de olietemperatuurmeter dat de temperatuur van de motorolie opneemt en omzet in een elektrisch signaal en overdraagt aan het verwerkingsgedeelte van de olietemperatuurmeter. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Waar dit bij hoort
Dit begrip komt aan bod in Je auto in orde: banden, verlichting en onderhoud, hoofdstuk 9 van de gratis theoriecursus.
Andere begrippen
Ook een rijschool nodig?
Dit begrip hoort bij de theorie. Die leer je hier gratis, voor de rijlessen heb je een rijschool nodig. Op Ribba vergelijk je rijscholen op het slagingspercentage van het CBR, het prijsniveau en de beoordelingen van eerdere leerlingen.
Rijscholen vergelijken