Hoofdstuk 6 van 11
Verantwoorde verkeersdeelname en milieubewust rijden
Veilig deelnemen aan het verkeer begint met geen gevaar of hinder veroorzaken en met het vermijden van gedragingen die als zwaar verkeersonveilig gelden. Rijden onder invloed, straatracen, zonder geldige bevoegdheid rijden en wegrijden na een ongeval zijn verboden, en je houdt rekening met de plek van fietsers en bromfietsers.
Waar het CBR naar vraagt: Welke kennis en vaardigheden zijn belangrijk voor een veilige verkeersdeelname en om zuinig te rijden? En welke risico's zijn er?
Niveau K+. Je neemt een juiste beslissing in een situatie en laat zien dat je begrijpt hoe de regel werkt. Bijvoorbeeld: wie laat je hier voorgaan?
De basis: geen gevaar of hinder veroorzaken
Gedraag je zo dat er geen gevaar ontstaat en je het verkeer niet hindert.
Je gedraagt je niet zo dat er gevaar op de weg ontstaat of kan ontstaan. Simpel en streng, dat is de hoofdregel. Je hindert het verkeer niet, zelfs niet als dat alleen kan gebeuren.
In de praktijk kijk je vooruit en houd je je voertuig onder controle. Je vermijdt keuzes die anderen in de problemen brengen, zoals onverwacht remmen of blokkeren.
Je rijdt in een woonstraat met geparkeerde auto's aan beide kanten. Voor je staat een vuilniswagen stil en blijft weinig ruimte over. Je mindert vaart, stopt waar je niemand blokkeert en houdt afstand. Je wacht tot het vrij is, want je mag geen gevaar of hinder veroorzaken.
Niet alleen echt gevaar telt; ook het kunnen veroorzaken valt hieronder.
Verwar hinderen niet met alleen blokkeren; ook even dubbel parkeren is hinderen.
Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 5Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Zwaar verkeersonveilige gedragingen
Opzettelijk en in ernstige mate verkeersregels schenden, met levensgevaar of gevaar voor zwaar letsel voor een ander, is verboden.
Voorbeelden zijn: onvoldoende rechts houden op onoverzichtelijke plaatsen, gevaarlijk inhalen en een rood kruis negeren. Ook rijden op de vluchtstrook waar dat niet mag, inhalen op of voor een voetgangersoversteekplaats, en geen voorrang verlenen. Voorrang verlenen is een ander eerst laten gaan. Verder: de maximumsnelheid overschrijden, bumperkleven, door rood licht rijden en tegen de verkeersrichting inrijden. Tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden, of verkeersaanwijzingen van bevoegde personen negeren.
Zo zie je welke risicovolle keuzes je altijd vermijdt om ernstig gevaar te voorkomen.
Verwar vasthouden van een mobiel apparaat niet met elk gebruik. De wet noemt vasthouden tijdens het rijden. Bij onvoldoende rechts houden gaat het hier om onoverzichtelijke plaatsen, niet overal.
Op een autosnelweg hangt boven de linkerstrook een rood kruis. Verderop staan hulpverleners met een pechauto. Je blijft op een open rijstrook en rijdt niet onder het kruis, omdat zo’n rood kruis negeren een zwaar verkeersonveilige gedraging is.
Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 5a1 Het is een ieder verboden opzettelijk zich zodanig in het verkeer te gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Als zodanige verkeersgedragingen kunnen de volgende gedragingen worden aangemerkt: a. onvoldoende rechts houden op onoverzichtelijke plaatsen; b. gevaarlijk inhalen; c. negeren van een rood kruis; d. over een vluchtstrook rijden waar dit niet is toegestaan; e. inhalen voor of op een voetgangersoversteekplaats; f. niet verlenen van voorrang; g. overschrijden van de krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid; h. zeer dicht achter een ander voertuig rijden; i. door rood licht rijden; j. tegen de verkeersrichting inrijden; k. tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden; l. niet opvolgen van verkeersaanwijzingen van daartoe op grond van deze wet bevoegde personen; m. overtreden van andere verkeersregels van soortgelijk belang als die onder a tot en met l genoemd. 2 Bij de toepassing van het eerste lid wordt mede in aanmerking genomen de mate waarin de verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid . Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Afstand houden en veilig inhalen
Gevaarlijk inhalen en zeer dicht achter een ander voertuig rijden zijn zwaar verkeersonveilig.
Haal alleen in als het veilig kan. Vermijd elke situatie die als gevaarlijk inhalen kan worden gezien.
Rijd je dicht achter je voorligger, dan vergroot je de kans op kop-staartbotsingen. Dat geldt als zeer dicht achter een ander voertuig rijden, dus houd voldoende ruimte zodat je tijdig kunt reageren.
Bij een stadsweg met twee rijstroken rijdt voor je een bestelauto, en verderop ligt een voetgangersoversteekplaats. Je houdt voldoende ruimte en blijft achter de bestelauto tot na de oversteekplaats. Pas als je vrij zicht hebt haal je in. Zo voorkom je gevaarlijk inhalen en zeer dicht achter rijden, en je haalt niet voor of op een oversteekplaats in.
Vrij zicht is meer dan even geen tegenliggers zien.
Op een landweg rijdt voor je een trekker. Je houdt afstand en wacht tot na de bocht. Daar haal je in, want gevaarlijk inhalen en zeer dicht achter rijden zijn verboden.
Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 5a1 Het is een ieder verboden opzettelijk zich zodanig in het verkeer te gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Als zodanige verkeersgedragingen kunnen de volgende gedragingen worden aangemerkt: a. onvoldoende rechts houden op onoverzichtelijke plaatsen; b. gevaarlijk inhalen; c. negeren van een rood kruis; d. over een vluchtstrook rijden waar dit niet is toegestaan; e. inhalen voor of op een voetgangersoversteekplaats; f. niet verlenen van voorrang; g. overschrijden van de krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid; h. zeer dicht achter een ander voertuig rijden; i. door rood licht rijden; j. tegen de verkeersrichting inrijden; k. tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden; l. niet opvolgen van verkeersaanwijzingen van daartoe op grond van deze wet bevoegde personen; m. overtreden van andere verkeersregels van soortgelijk belang als die onder a tot en met l genoemd. 2 Bij de toepassing van het eerste lid wordt mede in aanmerking genomen de mate waarin de verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid . Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Snelheid, plaats op de weg en tekens boven de weg
De maximumsnelheid overschrijden, onvoldoende rechts houden bij onoverzichtelijke plekken, een rood kruis negeren en onterecht de vluchtstrook gebruiken zijn risicogedragingen.
Rijd binnen de limiet en pas je snelheid aan de situatie aan. Is het onoverzichtelijk, dan neem je gas terug en houd je waar nodig voldoende rechts om risico’s te beperken.
Respecteer rode kruizen en gebruik de vluchtstrook niet als dat niet is toegestaan. Dat geeft direct gevaar voor jou en anderen. Een rood kruis geldt ook als de rijstrook leeg lijkt.
Op de autosnelweg zie je boven jouw rijstrook een rood kruis en verderop stilstaand verkeer. Je laat tijdig gas los, wisselt naar rechts en blijft van de vluchtstrook af. Je volgt het teken, past je snelheid aan en houdt rechts, omdat een rood kruis de rijstrook sluit en dit onoverzichtelijk is.
Soms wordt gedacht dat je bij langzaam verkeer even de vluchtstrook gebruikt. Dat mag niet als dat niet is toegestaan en zorgt voor direct gevaar. De maximumsnelheid is geen verplicht tempo; je remt eerder bij onoverzichtelijk.
Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 5a1 Het is een ieder verboden opzettelijk zich zodanig in het verkeer te gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Als zodanige verkeersgedragingen kunnen de volgende gedragingen worden aangemerkt: a. onvoldoende rechts houden op onoverzichtelijke plaatsen; b. gevaarlijk inhalen; c. negeren van een rood kruis; d. over een vluchtstrook rijden waar dit niet is toegestaan; e. inhalen voor of op een voetgangersoversteekplaats; f. niet verlenen van voorrang; g. overschrijden van de krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid; h. zeer dicht achter een ander voertuig rijden; i. door rood licht rijden; j. tegen de verkeersrichting inrijden; k. tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden; l. niet opvolgen van verkeersaanwijzingen van daartoe op grond van deze wet bevoegde personen; m. overtreden van andere verkeersregels van soortgelijk belang als die onder a tot en met l genoemd. 2 Bij de toepassing van het eerste lid wordt mede in aanmerking genomen de mate waarin de verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid . Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Voorrang en verkeerslichten
Als je geen voorrang verleent of door rood licht rijdt, handel je zwaar verkeersonveilig.
Let op voorrangssituaties: voorrang verlenen is eerst een ander laten gaan. Neem alleen je ruimte en voorkom schrik en hard remmen.
Stop voor rood licht en rijd pas bij groen. Zo blijven overstekers en kruisend verkeer veilig.
Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 5a1 Het is een ieder verboden opzettelijk zich zodanig in het verkeer te gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Als zodanige verkeersgedragingen kunnen de volgende gedragingen worden aangemerkt: a. onvoldoende rechts houden op onoverzichtelijke plaatsen; b. gevaarlijk inhalen; c. negeren van een rood kruis; d. over een vluchtstrook rijden waar dit niet is toegestaan; e. inhalen voor of op een voetgangersoversteekplaats; f. niet verlenen van voorrang; g. overschrijden van de krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid; h. zeer dicht achter een ander voertuig rijden; i. door rood licht rijden; j. tegen de verkeersrichting inrijden; k. tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden; l. niet opvolgen van verkeersaanwijzingen van daartoe op grond van deze wet bevoegde personen; m. overtreden van andere verkeersregels van soortgelijk belang als die onder a tot en met l genoemd. 2 Bij de toepassing van het eerste lid wordt mede in aanmerking genomen de mate waarin de verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid . Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Aandacht bij de weg en luisteren naar aanwijzingen
Tijdens het rijden houd je geen mobiel elektronisch apparaat vast en volg je aanwijzingen van bevoegde personen op.
Blijf met je aandacht bij het verkeer en laat je niet afleiden door een apparaat in je hand. Je reageert trager en maakt sneller fouten. Bij wegwerkzaamheden of een incident sturen zij het verkeer veilig en ordelijk. Volg altijd de aanwijzingen van bevoegde personen.
Tijdens spitsuur sta je bij wegwerkzaamheden met pylonen en een verkeersregelaar. Je stopt voor zijn stopteken en legt je telefoon weg. Daarna rijd je pas door op zijn seintje, want je volgt bevoegde aanwijzingen en je houdt geen mobiel elektronisch apparaat vast tijdens het rijden.
Soms wordt vasthouden verward met even kijken. De vraag gaat dan over vasthouden tijdens het rijden.
Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 5a1 Het is een ieder verboden opzettelijk zich zodanig in het verkeer te gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Als zodanige verkeersgedragingen kunnen de volgende gedragingen worden aangemerkt: a. onvoldoende rechts houden op onoverzichtelijke plaatsen; b. gevaarlijk inhalen; c. negeren van een rood kruis; d. over een vluchtstrook rijden waar dit niet is toegestaan; e. inhalen voor of op een voetgangersoversteekplaats; f. niet verlenen van voorrang; g. overschrijden van de krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid; h. zeer dicht achter een ander voertuig rijden; i. door rood licht rijden; j. tegen de verkeersrichting inrijden; k. tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden; l. niet opvolgen van verkeersaanwijzingen van daartoe op grond van deze wet bevoegde personen; m. overtreden van andere verkeersregels van soortgelijk belang als die onder a tot en met l genoemd. 2 Bij de toepassing van het eerste lid wordt mede in aanmerking genomen de mate waarin de verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid . Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Rijden onder invloed van alcohol of andere stoffen
Je mag niet rijden of begeleiden als je onder invloed bent of als je alcohol- of stofwaarden boven de wettelijke grenzen liggen.
Je mag niet rijden, laten rijden of begeleiden als je onder invloed bent. Onder invloed betekent: een middel schaadt je rijvaardigheid. Kun je daardoor niet behoorlijk besturen of begeleiden? Dan is rijden verboden.
Voor alcohol gelden grenswaarden. Dat zijn de wettelijke maxima. Boven 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht is verboden. Boven 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed is ook verboden. Beginnende bestuurders hebben lagere limieten: 88 microgram per liter adem en 0,2 milligram per milliliter bloed. Of je beginnend bent, hangt af van de duur en leeftijd bij je eerste rijbewijs.
Voor aangewezen drugs en combinaties van middelen gelden ook grenswaarden. Overschrijding daarvan is verboden.
Je mag bovendien niemand laten rijden als je weet dat die persoon in een verboden toestand is. Moet je dat redelijkerwijs weten? Dan geldt dat ook.
Na een feest in een woonstraat vraagt een vriend je auto. Je weigert, omdat je niemand mag laten rijden onder invloed.
Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 81 Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht. 2 Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat: a. het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel b. het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed. 3 In afwijking van het tweede lid is het de bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, verboden dat motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat: a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,2 milligram per milliliter bloed, indien: 1° sedert de datum waarop hem voor de eerste maal een rijbewijs voor de categorie AM of T is afgegeven nog geen zeven jaren zijn verstreken en hij op het tijdstip van afgifte van dat rijbewijs de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, 2°. sedert de datum waarop hem voor het eerst een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en hij op het tijdstip van afgifte van dat rijbewijs de leeftijd van ten minste achttien jaar heeft bereikt, dan wel 3°. indien sedert de datum waarop hem voor het eerst een rijbewijs voor de categorie B is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en hij op het tijdstip van afgifte van het rijbewijs voor de categorie B nog niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, ongeacht of hij op dat tijdstip van afgifte van het rijbewijs voor de categorie B al in het bezit was van een rijbewijs voor de categorie AM of T. 4 Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een ieder die zonder dat aan hem een rijbewijs is afgegeven een motorrijtuig bestuurt voor het besturen waarvan een rijbewijs vereist is. 5 Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn. 6 Het is verboden een motorrijtuig als bestuurder te doen besturen door een persoon waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat deze verkeert in een toestand als in het eerste, tweede, derde of vijfde lid is omschreven. 7 Voor de toepassing van het derde lid wordt onder een rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland en wordt voor de toepassing van het derde lid, aanhef en onderdelen 1° en 3°, met een rijbewijs voor de categorie AM of T gelijk gesteld een rijbewijs voor de categorie A1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland aan een persoon die op het tijdstip van afgifte nog niet de leeftijd van achttien jaar had bereikt. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Voorkom ongevallen door jouw schuld
Gedraag je niet zo dat door jouw schuld een verkeersongeval met dodelijk of lichamelijk letsel ontstaat.
Rijd beheerst en voorspelbaar, zodat je handelen geen ongeval veroorzaakt door jouw schuld. Dan kan een ander overlijden, (zwaar) letsel oplopen, of tijdelijk normale bezigheden niet uitoefenen. Verklein risico’s door tijdig te kijken, tijdig te beslissen en niemand te dwingen tot een noodmanoeuvre. Zo hoeft een ander niet uit te wijken.
Je staat in een parkeervak langs een rijbaan met een fietsstrook. Auto’s naderen, een bromfiets rijdt op de fietsstrook. Je kijkt spiegels en over je schouder, zet richting aan en wacht tot er ruimte is. Je rijdt pas weg als niemand hard moet remmen of uitwijken, want jij mag niemand tot een noodmanoeuvre dwingen. Zo voorkom je schuld.
Reken niet op andermans herstel.
Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 6Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Na een ongeval: blijf ter plaatse en maak jezelf kenbaar
Bij letsel, doden, schade of hulpeloosheid blijf je bij het ongeval. Is er alleen schade, dan mag je weg na deugdelijk gelegenheid te bieden om jouw en het voertuig’s identiteit vast te stellen.
Raak je bij een ongeval betrokken of veroorzaak je het? Blijf ter plaatse als je weet of redelijk vermoedt dat er doden, letsel of schade zijn. Of dat iemand hulpeloos achterblijft.
Was er uitsluitend schade? Dan mag je weg nadat je deugdelijk gelegenheid hebt geboden om jouw identiteit en die van het voertuig vast te stellen.
Tijdens parkeren op een parkeerterrein raak je een geparkeerde auto. Je blijft staan en maakt jezelf kenbaar. Je biedt gelegenheid tot vaststelling van jouw identiteit en die van het voertuig. Daarna rij je weg, omdat het alleen om schade gaat.
Het idee dat je kunt doorrijden als jij geen schuld hebt, klopt niet. Je blijft en maakt jezelf kenbaar. Weggaan mag nooit wanneer iemand hulpeloos achterblijft. Gegevens geven verandert daar niets aan.
Na een botsing met een fietser blijft hij liggen. Je blijft en maakt jezelf kenbaar. Dat moet bij letsel.
Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 71 Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien: a. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel aan een ander is toegebracht; b. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, schade aan een ander is toegebracht; c. daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten. 2 Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, is niet van toepassing op degene die op de plaats van het ongeval behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en, voor zover hij een motorrijtuig bestuurde, tevens van de identiteit van dat motorrijtuig. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Rijden met geldige bevoegdheid
Rijden terwijl je rijbevoegdheid is ontzegd, je rijbewijs ongeldig, ingevorderd of geschorst is, of wanneer je weet dat het zijn geldigheid heeft verloren, is verboden.
Weet je, of hoor je te weten, dat je niet mag rijden? Dan rijd je niet met een motorrijtuig van die categorie. Er zijn beperkte uitzonderingen bij rijonderricht of bij een rijproef voor een onderzoek. Blijf dan van het stuur tot je bevoegdheid hersteld is.
Langs een winkelcentrum sta je geparkeerd met je auto. Je weet dat je rijbewijs B ongeldig is verklaard. Je rijdt niet weg, want je bevoegdheid ontbreekt; alleen rijonderricht of een rijproef in een onderzoek vormt een beperkte uitzondering.
Rijonderricht is niet een vriend naast je. Het gaat om officiële les met dubbele bediening; buiten die situatie geldt het verbod zolang jouw rijbewijs niet geldig is.
In een lesauto met dubbele bediening zit een instructeur naast je. Je rijbewijs B is ongeldig, maar je rijdt de lesroute. Dat mag alleen tijdens rijonderricht of een rijproef; anders rijd je niet, want jouw bevoegdheid ontbreekt.
Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 91 Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, verboden gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid is ontzegd, op de weg een motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen. 2 Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen. Hetzelfde verbod geldt voor degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid heeft verloren en dat hij bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid , gestelde voorwaarden, tenzij aan hem, nadat hij aan deze voorwaarden heeft voldaan, een ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven. 3 Het tweede lid geldt niet ten aanzien van de bestuurder van een motorrijtuig gedurende de tijd dat aan hem ter verkrijging van een rijbewijs voor de categorie of categorieën van motorrijtuigen waarop de ongeldigverklaring betrekking heeft, rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven en gedurende de tijd dat door hem een rijproef wordt afgelegd in het kader van een onderzoek, door of vanwege de overheid ingesteld, naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid. 4 Het is degene van wie ingevolge artikel 130, tweede lid , de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs is gevorderd, dan wel wiens rijbewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven, te besturen of als bestuurder te doen besturen. 5 Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a , voor een of meer categorieën van motorrijtuigen is geschorst, verboden gedurende de tijd dat de schorsing van kracht is, op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarop de schorsing betrekking heeft, te besturen of als bestuurder te doen besturen. 6 Het vierde en het vijfde lid gelden niet ten aanzien van de bestuurder van een motorrijtuig gedurende de tijd dat door hem een rijproef wordt afgelegd in het kader van een ingevolge artikel 131, eerste lid, onderdeel b , gevorderd onderzoek. Voorts geldt het vijfde lid niet ten aanzien van de bestuurder van een motorrijtuig gedurende de tijd dat aan hem, ter voorbereiding op een onderzoek naar de rijvaardigheid in het kader van een ingevolge artikel 131, eerste lid, onderdeel b, gevorderd onderzoek, rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven. 7 Het is degene van wie ingevolge artikel 164 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs is gevorderd, dan wel van wie zodanig bewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven, te besturen of als bestuurder te doen besturen. 8 Het is degene van wie ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering van het rijbewijs is gevorderd, dan wel wiens rijbewijs krachtens die wet is ingenomen, verboden op de weg een motorrijtuig, voor het besturen waarvan het rijbewijs is afgegeven, te besturen of als bestuurder te doen besturen met ingang van het tijdstip, bedoeld in artikel 30, eerste lid, van die wet . 9 Voor de toepassing van het tweede, vierde, vijfde, zesde en achtste lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Geen straatraces
Je mag op de weg geen wedstrijd met voertuigen houden of eraan deelnemen.
In een wedstrijd meet of vergelijk je prestaties. Dat kan gaan om deelnemers, voertuigen, onderdelen of brandstoffen. Niet alleen jij als bestuurder telt mee, ook de eigenaar of houder die je laat deelnemen. Bestuurder: jij bestuurt een voertuig.
Je staat met je bromfiets in een woonstraat naast een scooter. Een bekende wil gas geven om te zien wie sneller optrekt. Jij doet niet mee en slaat rechtsaf, omdat dit rijden prestaties vergelijkt en verboden is.
Vlot wegrijden bij groen is normaal; afspreken wie sneller is maakt het wel wedstrijd. Ook de eigenaar of houder die laat deelnemen, geldt als deelnemer.
Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 101 Het is verboden op de weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen. 2 Onder wedstrijd wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan elk rijden met voertuigen ter vaststelling of vergelijking van prestaties hetzij van de deelnemers, hetzij van de voertuigen, hetzij van onderdelen daarvan, hetzij van bedrijfsstoffen. 3 Als deelnemer wordt beschouwd de bestuurder van een voertuig waarmee aan een wedstrijd wordt deelgenomen, en de eigenaar of houder van een voertuig, die daarmee aan een wedstrijd doet of laat deelnemen. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Gebruik geen andermans auto zonder recht
Het is verboden opzettelijk zonder recht een motorrijtuig van een ander op de weg te gebruiken.
Neem nooit andermans auto als je daar geen recht op hebt, ook niet voor een kort ritje. Zo bescherm je de eigenaar en de veiligheid op de weg.
Een klasgenoot biedt je een autosleutel aan in een woonstraat. Hij wil dat je even rijdt. Jij stapt niet in en vraagt eerst of jij recht hebt om te rijden. Krijg je dat niet, dan laat je de auto staan. Want zonder recht een aan een ander toebehorend motorrijtuig op de weg gebruiken is verboden.
Even verzetten uit een parkeervak is ook gebruik van de weg.
Je verwart toestemming soms met recht. Een sleutel in je hand zegt niets. Vraag wie het voertuig mag uitlenen en of jij dat recht hebt. Je denkt ook wel dat een paar meter geen gebruik van de weg is. Verplaats je het motorrijtuig, dan gebruik je het op de weg. Ook bij keren uit een parkeervak.
Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 11Het is verboden opzettelijk wederrechtelijk een aan een ander toebehorend motorrijtuig op de weg te gebruiken. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Waar je fietsers en bromfietsers kunt verwachten
Fietsers en bromfietsers hebben vaste plekken: fietsers doorgaans op het verplichte fietspad, bromfietsers op het fiets/bromfietspad, met aangegeven uitzonderingen.
Stel: een stadsweg met een verplicht fietspad rechts en een rijbaan. Vooruit rijdt een bakfiets met aanhangwagen, duidelijk breder dan 0,75 meter. Rechts op het pad rijden gewone fietsers. Jij houdt afstand tot de bakfiets, checkt spiegels, kijkt naar het pad. Je wacht op een veilig gat en passeert de bakfiets ruim. Dat doe je omdat brede fietsen en fietsen met brede aanhangwagen de rijbaan mogen gebruiken. Fietsers zonder die breedte horen hier op het verplichte fietspad. Bromfietsers verwacht je vooral op het fiets/bromfietspad; ontbreekt dat, dan op de rijbaan. Daarom passeer je de bakfiets pas met ruime zijafstand, omdat die hier mag rijden.
Regelmatig gaat het mis tussen fietsstrook en fietspad. Een fietsstrook ligt op de rijbaan; je verwacht daar fietsers naast het autoverkeer. Dat verschilt van een verplicht fietspad naast de rijbaan. Ook denken sommigen dat een onderbord bromfietsers naar de rijbaan stuurt. Dat bord geldt voor snorfietsen.
Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 51 Fietsers gebruiken het verplichte fietspad of het fiets/bromfietspad. 2 Zij gebruiken de rijbaan indien een verplicht fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt. 3 Zij mogen het onverplichte fietspad gebruiken. Bestuurders van snorfietsen uitgerust met een verbrandingsmotor mogen het onverplichte fietspad slechts gebruiken met uitgeschakelde motor. 4 Bestuurders van fietsen op meer dan twee wielen die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter en van fietsen met aanhangwagen die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter mogen de rijbaan gebruiken. 5 Bestuurders vanaf 16 jaar van snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet mogen het trottoir en het voetpad gebruiken indien zij beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een bij ministeriële regeling aangewezen kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten. 6 Bestuurders jonger dan 16 jaar van snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet gebruiken het trottoir of het voetpad indien zij beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een bij ministeriële regeling aangewezen kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten. 7 Het eerste lid, het tweede lid en het vierde lid gelden niet voor bestuurders als bedoeld in het zesde lid. 8 Bestuurders van snorfietsen gebruiken de rijbaan indien dit bij verkeersbesluit, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet , is bepaald en bij het verkeersteken dat het verplichte fietspad aangeeft een onderbord dit aanduidt. 9 Het achtste lid is niet van toepassing op snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, onder d, van de wet en op bestuurders van snorfietsen zijnde bestuurders als bedoeld in het vijfde en zesde lid van dit artikel. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 61 Bromfietsers gebruiken het fiets/bromfietspad. 2 Zij gebruiken de rijbaan indien een fiets/bromfietspad ontbreekt. 3 Bestuurders van bromfietsen op meer dan twee wielen en bromfietsen met aanhangwagen, die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter, gebruiken de rijbaan. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Paarden, ruiters en vee op de weg
Bij paarden, ruiters en vee geef je rust, ruime afstand en geen claxon; bij vee rijd je stapvoets of wacht.
Paarden schrikken snel van geluid en van voertuigen die dicht langs hen komen. Passeer een ruiter of een geleider van vee rustig, met ruime afstand, en claxonneer niet. Ruiters en geleiders zijn weggebruikers, iedereen die de weg gebruikt. Je mag hen niet hinderen in hun doorgang. Bij vee op de weg rijd je stapvoets, wandeltempo, of je wacht.
Je rijdt op een buitenweg en nadert een ruiter met begeleider te voet. Je mindert op tijd. Dat doe je omdat zij weggebruikers zijn en een paard kan schrikken. Je passeert stapvoets en ruim, zonder claxon.
Veel fouten: te dicht of te snel langs, of toch claxonneren. Dat lijkt behulpzaam voor hen. Je claxonneert alleen bij dreigend gevaar, een direct aanrijdingsrisico. Blijf rustig, geef ruimte.
Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 51 Fietsers gebruiken het verplichte fietspad of het fiets/bromfietspad. 2 Zij gebruiken de rijbaan indien een verplicht fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt. 3 Zij mogen het onverplichte fietspad gebruiken. Bestuurders van snorfietsen uitgerust met een verbrandingsmotor mogen het onverplichte fietspad slechts gebruiken met uitgeschakelde motor. 4 Bestuurders van fietsen op meer dan twee wielen die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter en van fietsen met aanhangwagen die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter mogen de rijbaan gebruiken. 5 Bestuurders vanaf 16 jaar van snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet mogen het trottoir en het voetpad gebruiken indien zij beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een bij ministeriële regeling aangewezen kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten. 6 Bestuurders jonger dan 16 jaar van snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet gebruiken het trottoir of het voetpad indien zij beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een bij ministeriële regeling aangewezen kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten. 7 Het eerste lid, het tweede lid en het vierde lid gelden niet voor bestuurders als bedoeld in het zesde lid. 8 Bestuurders van snorfietsen gebruiken de rijbaan indien dit bij verkeersbesluit, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet , is bepaald en bij het verkeersteken dat het verplichte fietspad aangeeft een onderbord dit aanduidt. 9 Het achtste lid is niet van toepassing op snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, onder d, van de wet en op bestuurders van snorfietsen zijnde bestuurders als bedoeld in het vijfde en zesde lid van dit artikel. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 28Bestuurders mogen slechts geluidssignalen en knippersignalen geven ter afwending van dreigend gevaar. Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Veilig is meestal ook zuinig
Rij zo dat je geen gevaar of hinder veroorzaakt, want rustig, voorspelbaar en aandachtig rijden beperkt risico’s en voorkomt onnodige handelingen.
Kijk en beslis op tijd; zo rem en stuur je minder abrupt en blijft het verkeer om je heen vloeiender. Dat geeft jou en anderen meer ruimte, verkleint kans op fouten of schrikreacties, maakt rijden veiliger en kost jou en je voertuig meestal minder inspanning.
Verderop ligt een kruising met verkeerslichten en voor jou staat een korte wachtrij. Je kijkt ver vooruit, laat vroeg gas los en houdt ruimte voor je. Je voorkomt abrupt remmen en optrekken, want vloeiend rijden geeft ruimte, veiligheid en minder inspanning. Op een autoweg met invoegstrook zie je rechts invoegers; jij laat vroeg gas los en houdt ruimte, want dat is veiliger en zuiniger.
Rustig rijden is niet traag rijden. Te laat kiezen leidt juist tot hard remmen en schokkerige stuurbewegingen. Anticiperen is op tijd kiezen en doseren, niet overal vaart wegnemen. Sommigen verwarren rustig rijden met traag doorrollen naar groen; jij doseert tijdig en houdt het vloeiend.
Ook een rijschool nodig?
De theorie leer je hier gratis. Voor de rijlessen heb je een rijschool nodig. Op Ribba vergelijk je rijscholen op het slagingspercentage van het CBR, het prijsniveau en de beoordelingen van eerdere leerlingen.
Rijscholen vergelijken