Hoofdstuk 2 van 11

Voorrang en voor laten gaan

Voorrang en voor laten gaan: een Nederlandse verkeerssituatie vanuit de bestuurdersstoel

Op kruispunten geldt: rechts gaat voor, met uitzondering voor verkeer op de verharde weg en voor trams, en bij afslaan laat je het verkeer op dezelfde weg voorgaan. Voetgangers op een zebra en kwetsbare voetgangers laat je voorgaan, voorrangsvoertuigen laat je altijd voorgaan, je doorsnijdt geen colonnes of uitvaartstoeten, en je blokkeert geen kruispunt.

Waar het CBR naar vraagt: Voorrang geven op kruispunten, voor laten gaan bij afslaan en voor laten gaan van voetgangers.

Niveau K+. Je neemt een juiste beslissing in een situatie en laat zien dat je begrijpt hoe de regel werkt. Bijvoorbeeld: wie laat je hier voorgaan?

De borden bij dit hoofdstuk

Klik op een bord voor de betekenis en wat je moet doen.

Basisregel op kruispunten: verkeer van rechts gaat voor

Op kruispunten verleen je voorrang aan bestuurders die van rechts komen.

Op dit gelijkwaardige kruispunt laat de lesauto de bestuurder van rechts eerst gaan. Er zijn geen borden of verkeerslichten die de voorrang anders regelen.

Hoofdregel: komt er rechts een bestuurder, verleen je voorrang op elk kruispunt, en deze regel bepaalt wie eerst mag. Een bestuurder bestuurt altijd een voertuig.

Je rijdt in een woonstraat en nadert een kruispunt zonder enige borden. Van rechts komt een fietser. Je mindert vaart en laat hem voor gaan, want verkeer van rechts heeft voorrang, en de fietser is dus een bestuurder. Een voetganger van rechts voorrang geven zie je nog steeds vaak. Dat klopt hier niet, want hij is dus geen bestuurder. Zie je haaientanden, dan verleen je altijd voorrang, ook als rechts vrij is.

Je rijdt op een landweg en nadert een kruispunt zonder borden. Van rechts komt een tractor. Je remt af en laat hem eerst gaan, want verkeer van rechts heeft voorrang en hij is dus een bestuurder. Deze regel geldt alleen op kruispunten, niet buiten kruispunten. Dat onderscheid wordt vaak vergeten.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 151 Op kruispunten verlenen bestuurders voorrang aan voor hen van rechts komende bestuurders. 2 Op deze regel gelden de volgende uitzonderingen: a. bestuurders op een onverharde weg verlenen voorrang aan bestuurders op een verharde weg; b. bestuurders verlenen voorrang aan bestuurders van een tram. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Uitzonderingen: onverharde weg en tram

Kom je van een onverharde weg, dan verleen je op het kruispunt voorrang aan bestuurders op de verharde weg. Een tram verleen je op een kruispunt voorrang, ook als hij van links komt. Verkeerslichten en voorrangsborden kunnen het anders regelen.

Twee voorbeelden: boven wacht de Ribba-lesauto op een onverharde weg voor een auto van links op asfalt. Onder wacht de lesauto voor een Rotterdamse RET-tram op een gelijkwaardig kruispunt.
1. Vanuit de onverharde weg laat de lesauto de bestuurder op de verharde weg voorgaan, ook van links. 2. Op dit gelijkwaardige kruispunt laat de lesauto de tram van links voorgaan.
Afbeelding vergroten

Bij een kruispunt zonder borden komt een onverharde bouwweg uit op een verharde weg door een bedrijventerrein. Links op de rails nadert een tram, van rechts rijdt een bestelauto op de verharde weg. Je stopt bij de rand van de verharding en wacht. Eerst laat je de tram passeren, daarna het verkeer op de verharde weg. Pas als het vrij is, rijd je door, omdat je van onverhard komt en bestuurders trams voorrang verlenen.

Waar het misgaat is het onderscheid tussen bestuurders en voetgangers. Deze uitzondering geldt voor bestuurders; fietsers en bromfietsers vallen daar dus onder. Een voetganger krijgt hierdoor geen voorrang. Verwarring is er ook over de tram. Sommigen denken dat richting nog uitmaakt. Op een kruispunt zonder verkeerslichten of voorrangsborden verleen je een tram voorrang, of hij nu van links of van rechts komt. Auto, scooter en tractor laat jij voorgaan vanaf onverhard.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 151 Op kruispunten verlenen bestuurders voorrang aan voor hen van rechts komende bestuurders. 2 Op deze regel gelden de volgende uitzonderingen: a. bestuurders op een onverharde weg verlenen voorrang aan bestuurders op een verharde weg; b. bestuurders verlenen voorrang aan bestuurders van een tram. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 63Verkeerstekens gaan boven verkeersregels, voor zover deze regels onverenigbaar zijn met deze tekens. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Blokkeer een kruispunt niet

Je mag een kruispunt niet blokkeren.

Rijd pas op als je aan de overkant genoeg ruimte hebt om het kruispunt helemaal vrij te maken.

Rijd een kruispunt pas op als je het vrij kunt houden. Anders hinder je het verkeer, dus sta niet stil op het kruispunt.

Op een woonstraat staat verkeer vast voor een kruispunt met lichten, en de overkant zit vol. Wordt het groen? Jij wacht vóór het kruispunt, want je mag het niet blokkeren.

Veel bestuurders zien groen als vanzelf doorrijden. Bestuurder: je bestuurt een voertuig. Kun je niet in één keer door, blijf vóór het kruispunt. Met aanhangwagen reken je de lengte mee, anders blokkeer je het kruispunt.

Je staat op een kruispunt met lichten en de overkant zit vol. Het wordt groen. Jij wacht vóór het kruispunt. Pas als er ruimte vrij komt rijd je door, omdat je het kruispunt niet mag blokkeren.

Groen is geen opdracht om te rijden. Het mag, zolang jij het kruispunt vrij kunt houden. Dit geldt overal, ook zonder lichten.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 14Bestuurders mogen een kruispunt niet blokkeren. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Voorsorteren en richting aangeven voor je afslaat

Wil je afslaan, dan mag je tijdig voorsorteren. Verplicht is dat je vóór het afslaan richting aangeeft met je richtingaanwijzer of je arm.

De lesauto komt aanrijden, geeft richting naar links en sorteert geleidelijk links voor. Hij blijft op zijn eigen weghelft. De afslag zelf wordt hier niet getoond.

Ga je afslaan, dan mag je tijdig voorsorteren. Rechtsaf ga je dan zo veel mogelijk rechts rijden; linksaf zo veel mogelijk tegen de wegas, en op een rijbaan voor één richting zo veel mogelijk links. Vóór het afslaan geef je altijd richting met je richtingaanwijzer of je arm. Staan er voorsorteerpijlen of -vakken op de weg, dan volg je die, want dat zijn verkeerstekens.

Je nadert op een eenrichtingsrijbaan een T-kruising om linksaf te slaan. Sorteer daar op tijd zoveel mogelijk links en geef vooraf richting. Zo laat je zien wat je gaat doen; het teken vóór het afslaan is verplicht.

Verwar links voorsorteren niet met te ver links gaan; op een tweerichtingsweg blijf je strak tegen de wegas, niet erover. Geef richting vooraf, niet pas tijdens het afslaan.

Voor je ligt een eenrichtingsrijbaan met links een zijstraat. Je sorteert tijdig zoveel mogelijk links en zet je richting aan, omdat je vóór afslaan een teken geeft.

Te laat richting geven komt vaak voor. Het teken hoort vóór het afslaan. Werkt de richtingaanwijzer niet, dan is een armteken toegestaan.

Soms denk je dat jouw linkse positie genoeg is als signaal. Toch moet je vóór het afslaan richting geven; voorsorteren vervangt het teken niet. Verwar ook een tweerichtingsweg niet met een eenrichtingsrijbaan: je gaat strak tegen de wegas, niet erover.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 171 Bestuurders die willen afslaan, mogen voorsorteren door: a. indien zij naar rechts willen afslaan tijdig zoveel mogelijk aan de rechterzijde te gaan rijden; b. indien zij naar links willen afslaan tijdig zoveel mogelijk tegen de wegas te rijden of bij rijbanen bestemd voor bestuurders in één richting daarop zoveel mogelijk links te houden. 2 Bestuurders moeten alvorens af te slaan een teken met hun richtingaanwijzer of met hun arm geven. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 62Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Voor laten gaan bij afslaan

Bij afslaan laat je verkeer op dezelfde weg voor laten gaan, ook tegemoetkomers die bij linksafslaan rechtsaf slaan; dit geldt niet voor trams.

De lesauto geeft richting naar rechts en laat de fietser op dezelfde weg rechtdoor gaan. De afslag zelf wordt niet getoond.

Bij afslaan laat je verkeer op dezelfde weg voor laten gaan: tegemoetkomers, verkeer naast je, en links of rechts dicht achter je. Voor laten gaan betekent dat je wacht.

Bij linksafslaan laat je tegemoetkomers voor gaan die op hetzelfde kruispunt rechtsaf slaan. Deze regels gelden niet voor trams.

Aan het eind van een woonstraat wil je rechtsaf, terwijl rechts naast je een fietser rechtdoor rijdt. Je stopt en wacht tot hij voorbij is. Je slaat af, dus verkeer naast je op dezelfde weg gaat voor.

Sommigen lezen ‘op dezelfde weg’ als ‘iedereen’, maar het gaat om jouw weg. Anderen missen de uitzondering: deze afsla-regels gelden niet voor trams.

Je staat op een kruispunt zonder borden en je wilt linksaf. Tegenover komt een auto die rechtsaf slaat. Rechts naast je rijdt een bromfiets rechtdoor. Je wacht tot beiden voorbij zijn. Je slaat af, dus verkeer op jouw weg gaat voor.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 181 Bestuurders die afslaan, moeten het verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt of dat op dezelfde weg zich naast dan wel links of rechts dicht achter hen bevindt, voor laten gaan. 2 Bestuurders die naar links afslaan, moeten tegemoetkomende bestuurders die op hetzelfde kruispunt naar rechts afslaan voor laten gaan. 3 Het eerste en het tweede lid gelden niet voor bestuurders van een tram. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Kwetsbare voetgangers laten voorgaan

Blinden met een witte stok met één of meer rode ringen, en alle anderen die zich moeilijk voortbewegen, laat je voorgaan. Dat geldt overal, niet alleen bij een zebrapad.

Een vrouw met rollator staat op het rechter trottoir en wil naar het trottoir recht tegenover haar oversteken. Aan beide kanten ligt een verlaagde stoeprand. De blauwe Ribba-lesauto wacht op afstand; er is geen zebrapad.
De voetganger met rollator wil oversteken. De lesauto wacht. Dit voorbeeld laat iemand zien die zich moeilijk voortbeweegt; de regel geldt ook voor blinden met een witte stok met een of meer rode ringen.
Afbeelding vergroten

Zie je een blinde met witte stok met rode ringen, of iemand die zichtbaar moeilijk voortbeweegt? Je moet hen voor laten gaan: eerst laten oversteken. Denk hieraan bij een oversteekplaats of stoep, ook zonder markering.

Bij een woonstraat nadert een vrouw met rollator de stoeprand. Je stopt en geeft haar de tijd. De regel is helder: blinden en wie zich moeilijk voortbeweegt steken eerst over.

Niet alleen bij een zebrapad; ook zonder markering laat je hen voorgaan. Wacht niet tot iemand op de rijbaan staat; geef ruimte om te starten.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 491 Bestuurders moeten blinden, voorzien van een witte stok met één of meer rode ringen, en overigens alle personen die zich moeilijk voortbewegen, voor laten gaan. 2 Bestuurders moeten voetgangers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, die op een voetgangersoversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan zulks te doen, voor laten gaan. 3 Het tweede lid geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire colonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen. 4 Het tweede lid geldt evenmin, indien voor de voetgangers en de bestuurders van een gehandicaptenvoertuig een rood voetgangerslicht of een geel knipperlicht als bedoeld in artikel 74, tweede lid , van toepassing is. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Voetgangersoversteekplaats: wie laat je voorgaan

Op een voetgangersoversteekplaats laat je voetgangers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig voorgaan als zij oversteken of duidelijk willen oversteken, behalve in de genoemde uitzonderingen.

Een vrouw staat op het rechter trottoir bij het zebrapad en wil oversteken. De blauwe Ribba-lesauto wacht vóór de oversteek.
Deze voetganger staat klaar om over te steken. De lesauto stopt vóór het zebrapad. Dit voorbeeld toont de gewone situatie zonder verkeerslichten of bijzondere uitzonderingen.
Afbeelding vergroten

Op een zebrapad laat je voetgangers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig voorgaan als zij oversteken of duidelijk op het punt staan dat te doen. Voor laten gaan betekent dat je wacht. Blinden en mensen die zich moeilijk voortbewegen laat je overal voorgaan, ook buiten het zebrapad (zie 2.6).

De zebrapadregel geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig in een militaire colonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen. Ook niet als voor de voetganger een rood voetgangerslicht brandt, of een geel knipperlicht dat het rode licht vervangt. Ook dan blijf je opletten en veroorzaak je geen gevaar.

Voor een voetgangersoversteekplaats in een winkelstraat wacht een voetganger bij de stoeprand. Je mindert vaart en stopt, want hij wil duidelijk oversteken. Je moet hem voor laten gaan, want op een voetgangersoversteekplaats gaan voetgangers die oversteken of duidelijk willen oversteken eerst.

Je vergeet soms bestuurders van een gehandicaptenvoertuig. Die gaan voor als zij duidelijk willen oversteken.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 491 Bestuurders moeten blinden, voorzien van een witte stok met één of meer rode ringen, en overigens alle personen die zich moeilijk voortbewegen, voor laten gaan. 2 Bestuurders moeten voetgangers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, die op een voetgangersoversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan zulks te doen, voor laten gaan. 3 Het tweede lid geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire colonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen. 4 Het tweede lid geldt evenmin, indien voor de voetgangers en de bestuurders van een gehandicaptenvoertuig een rood voetgangerslicht of een geel knipperlicht als bedoeld in artikel 74, tweede lid , van toepassing is. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Voor laten gaan van een voorrangsvoertuig

Weggebruikers moeten bestuurders van een voorrangsvoertuig voor laten gaan.

De ambulance voert in dit voorbeeld blauw licht én sirene. De lesauto wacht vóór het kruispunt. De video is zonder geluid; de sirene wordt in de tekst benoemd.

Komt er een voorrangsvoertuig aan? Je moet voorrang verlenen en het ongehinderd voor laten gaan; een voorrangsvoertuig voert blauw zwaailicht en sirene.

Vlak voor een kruispunt in een woonstraat nadert een ambulance met blauw zwaailicht en sirene. Je stuurt naar rechts en stopt. Zo maak je de weg vrij en laat je het ongehinderd voor gaan. Dat is de regel.

Vaak gaat het mis met signalen: alleen sirene of blauw licht geeft geen voorrang; samen wel. Dan moet je voor laten gaan, ongehinderd. Sommigen denken dat alleen bestuurders wijken; het geldt voor alle weggebruikers.

Nog een verwarring: een dierenambulance zonder blauw zwaailicht én sirene heeft geen voorrang. Het opschrift ambulance bepaalt niets; alleen de gecombineerde signalen doen dat.

In een drukke winkelstraat zie je blauw zwaailicht en hoor je sirene van een brandweerauto. Je gaat rechts aan de kant en stopt. Zo laat je het ongehinderd voorgaan, want met beide signalen is het een voorrangsvoertuig.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 50Weggebruikers moeten bestuurders van een voorrangsvoertuig voor laten gaan. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Militaire colonnes en uitvaartstoeten niet doorsnijden

Je mag een militaire colonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen niet doorsnijden.

De lesauto doorsnijdt de uitvaartstoet niet. De zwarte vlaggen met witte randen en strepen maken de voertuigen als stoet herkenbaar. Dit voorbeeld toont het niet-doorsnijden; niet alle overige voorrangsregels voor een stoet.

Een militaire colonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen mag je niet doorsnijden: je rijdt er niet tussendoor en voegt niet tussen. Rijd je zelf in zo'n stoet, dan geldt de zebrapadregel niet voor jou. Dat is geen vrijbrief: je blijft op voetgangers letten.

Je nadert een kruispunt waar een uitvaartstoet van motorvoertuigen oversteekt. Je wacht tot de hele stoet voorbij is, ook als er even een gat valt tussen twee auto's.

Een stoet van fietsers of lopers valt niet onder deze regel; het gaat om motorvoertuigen. Tussen twee stoetvoertuigen invoegen is doorsnijden. Uitzondering bij de voetgangersoversteekplaats geldt alleen voor bestuurders in de stoet. Bestuurder is iemand die een voertuig bestuurt.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 16Weggebruikers mogen militaire colonnes en uitvaartstoeten van motorvoertuigen niet doorsnijden. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 491 Bestuurders moeten blinden, voorzien van een witte stok met één of meer rode ringen, en overigens alle personen die zich moeilijk voortbewegen, voor laten gaan. 2 Bestuurders moeten voetgangers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, die op een voetgangersoversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan zulks te doen, voor laten gaan. 3 Het tweede lid geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire colonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen. 4 Het tweede lid geldt evenmin, indien voor de voetgangers en de bestuurders van een gehandicaptenvoertuig een rood voetgangerslicht of een geel knipperlicht als bedoeld in artikel 74, tweede lid , van toepassing is. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Tramkruising: wat betekent dat voor jou

Op een kruispunt verleen je voorrang aan een tram, ook als hij van links komt. Slaat een tram af, dan hoeft die het verkeer op dezelfde weg niet voor te laten gaan. Verkeerslichten en borden gaan voor deze regels.

Op dit gelijkwaardige kruispunt laat de lesauto de tram van links voorgaan. De scène betekent niet dat een tram bij iedere regeling altijd voorrang heeft.

Na de bocht, in een woonstraat, ligt een kruispunt met trambaan; een tram komt van links en kruist je rijrichting. Je stopt voor het kruispunt en verleent de tram voorrang, want bestuurders van een tram hebben voorrang. Voorrang verlenen is eerst laten gaan. Verwacht niet dat een afslaande tram jou laat voorgaan; die afsla-regels gelden niet.

Stel dat je vanuit een zijstraat een kruispunt met trambaan nadert. Een tram komt van links. Je wacht en laat de tram eerst gaan, omdat een tram op het kruispunt voorrang heeft.

Soms denk je dat een tram overal voorrang heeft. Niet waar, want deze regel geldt alleen op kruispunten. Ook op een kruispunt kunnen verkeerslichten of borden het anders regelen. Een bus is geen tram en krijgt door deze regel geen voorrang.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 151 Op kruispunten verlenen bestuurders voorrang aan voor hen van rechts komende bestuurders. 2 Op deze regel gelden de volgende uitzonderingen: a. bestuurders op een onverharde weg verlenen voorrang aan bestuurders op een verharde weg; b. bestuurders verlenen voorrang aan bestuurders van een tram. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 181 Bestuurders die afslaan, moeten het verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt of dat op dezelfde weg zich naast dan wel links of rechts dicht achter hen bevindt, voor laten gaan. 2 Bestuurders die naar links afslaan, moeten tegemoetkomende bestuurders die op hetzelfde kruispunt naar rechts afslaan voor laten gaan. 3 Het eerste en het tweede lid gelden niet voor bestuurders van een tram. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 63Verkeerstekens gaan boven verkeersregels, voor zover deze regels onverenigbaar zijn met deze tekens. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Overwegbomen bij een spoorwegovergang

Dalen de overwegbomen of knippert het rode licht, dan stop je vóór de overweg. Je rijdt pas verder als de bomen helemaal open zijn, het rode licht uit is en je de overweg in één keer kunt oversteken zonder erop te hoeven stoppen.

Wacht voor de gesloten overweg. Rode lichten? Blijf vóór de overweg wachten.
Blijf wachten zolang de rode lichten knipperen, ook als de bomen al omhooggaan. Ga pas verder wanneer de bomen open zijn, het rode licht gedoofd is en je de overweg veilig helemaal kunt vrijmaken.
Afbeelding vergroten

Bij dalende bomen is de overweg gesloten: een geslotenverklaring betekent dat je daar niet rijdt. Je stopt voor de overweg. Je ziet een trein aankomen; de bomen gaan omlaag. Je wacht tot de bomen helemaal open zijn en het rode knipperlicht uit is. Staat er aan de overkant een rij, rijd dan de overweg niet op: je mag daar niet stilstaan.

Zodra spoorverkeer nadert of passeert, sluiten ze de overweg en gebruik je die weg niet. Doorrijden terwijl de bomen dalen, mag niet.

Langs een spoorwegovergang op een buitenweg wacht een rij auto's. Je bent met de auto; de bellen klinken en de bomen zakken. Jij remt en stopt voor de overweg. Een fietser probeert door te rijden; dat is fout, want de weg is gesloten. Jij blijft wachten tot de bomen volledig open zijn en het rode licht uit is, want een geslotenverklaring betekent dat je die weg niet gebruikt.

Verwar de geslotenverklaring niet met voorrang. Het gaat niet om wie eerst mag, maar om dat je die weg even niet gebruikt. Dat geldt ook voor fietsers.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 15a1 Weggebruikers mogen een overweg opgaan, indien zij direct kunnen doorgaan en de overweg geheel kunnen vrijmaken. 2 Bij overwegen laten weggebruikers een spoorvoertuig voorgaan en laten daarbij de overweg geheel vrij. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 231 De bestuurder mag zijn voertuig niet laten stilstaan: a. op een kruispunt of een overweg; b. op een fietsstrook of op de rijbaan langs een fietsstrook; c. op een oversteekplaats of binnen een afstand van vijf meter daarvan; d. in een tunnel; e. bij een bord bushalte ter hoogte van de geblokte markering dan wel, ingeval die markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord; f. op de rijbaan langs een busstrook en g. langs een gele doorgetrokken streep. 2 Onderdeel e van het eerste lid geldt niet voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van passagiers. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 71Bij overweglichten betekent: a. wit knipperlicht: er nadert geen trein; b. rood knipperlicht: stop. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Overstekende kinderen

Overstekende kinderen zijn voetgangers. Op een zebrapad laat je hen voorgaan als zij oversteken of duidelijk op het punt staan dat te doen. Ook buiten het zebrapad houd je rekening met kinderen.

Twee kinderen staan met een begeleider op het trottoir bij het zebrapad. De blauwe Ribba-lesauto wacht vóór de oversteek.
De kinderen staan met een begeleider klaar om het zebrapad over te steken. De lesauto wacht. Houd ook buiten een zebrapad rekening met onverwacht gedrag van kinderen.
Afbeelding vergroten

Overstekende kinderen zijn voetgangers; een voetgangersoversteekplaats is een zebrapad. Steken kinderen over op het zebrapad, of staan ze duidelijk op het punt dat te doen, dan laat je hen voorgaan. Dat is wettelijk verplicht.

Bij een school lopen kinderen naar het zebrapad; één stapt op. Je mindert vaart en stopt op tijd, want wie op het zebrapad oversteekt of dat duidelijk wil, laat je voorgaan.

Verwar de voetgangersoversteekplaats niet met een ongemarkeerde oversteek; alleen daar geldt deze regel. Buiten die plek laat je blinden met witte stok en mensen die zich moeilijk voortbewegen voorgaan, en houd je rekening met kinderen. Staat het voetgangerslicht rood, dan geldt de zebrapadregel niet, maar steekt een kind toch over, dan rem je.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 491 Bestuurders moeten blinden, voorzien van een witte stok met één of meer rode ringen, en overigens alle personen die zich moeilijk voortbewegen, voor laten gaan. 2 Bestuurders moeten voetgangers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, die op een voetgangersoversteekplaats oversteken of kennelijk op het punt staan zulks te doen, voor laten gaan. 3 Het tweede lid geldt niet voor bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire colonne of een uitvaartstoet van motorvoertuigen. 4 Het tweede lid geldt evenmin, indien voor de voetgangers en de bestuurders van een gehandicaptenvoertuig een rood voetgangerslicht of een geel knipperlicht als bedoeld in artikel 74, tweede lid , van toepassing is. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Had je hier iets aan?

Laat het weten met een cijfer van één tot vijf.

Je oordeel over deze pagina

Vraag het aan ChatGPT

Snap je iets niet, of wil je een voorbeeld? Schrijf je vraag op, dan gaat deze pagina er als bron bij mee.

Ook een rijschool nodig?

De theorie leer je hier gratis. Voor de rijlessen heb je een rijschool nodig. Op Ribba vergelijk je rijscholen op het slagingspercentage van het CBR, het prijsniveau en de beoordelingen van eerdere leerlingen.

Rijscholen vergelijken

Deze pagina op je eigen site

Plak deze code waar je hem wilt tonen, inclusief de regel onder het kaartje.

Hulp nodig met plakken?

Zo ziet het eruit

Gratis theorie op Ribba Lees het hoofdstuk