Politiecontrole
Een politiecontrole is een moment waarop de politie het verkeer controleert op veiligheid en regels. De politie mag bestuurders staande houden, voertuigen controleren en aanwijzingen geven die je direct moet opvolgen.
Bij een politiecontrole houdt de politie toezicht op weggebruikers, voertuigen en gedrag. Ze letten bijvoorbeeld op snelheid, gordels, afleiding door de telefoon, alcohol of drugs en de technische staat van voertuigen. Bestuurders zijn alle weggebruikers behalve voetgangers: dus ook fietsers, brom- en snorfietsers, bestuurders van motorvoertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of wagens. Controles kunnen zichtbaar zijn, zoals op een parkeerplaats met een controlepost, maar ook onopvallend, bijvoorbeeld met een onopvallende politiewagen die je staande houdt na een seintje.
Zo word je tot stoppen gebracht: de politie kan met zwaailichten, een verlicht transparant met een STOP- of VOLG-tekst, handgebaren of een stopbordschijf aangeven dat jij moet volgen of stoppen. Reageer voorspelbaar. Minder vaart, geef richting aan en kies de eerstvolgende veilige plek. Op autosnelwegen en autowegen stop je niet op de rijbaan en ook niet op de vluchtstrook, tenzij de politie dat uitdrukkelijk aangeeft; rijd bij voorkeur naar een parkeerplaats of tankstation. In de bebouwde kom kies je een plek waar je het verkeer niet hindert, bijvoorbeeld een parkeervak of zijstraat.
Wat gebeurt er bij de controle: je wordt staandegehouden om te controleren, dat is iets anders dan aangehouden worden voor een misdrijf. Blijf rustig, zet de motor uit en houd je handen zichtbaar op het stuur. Wacht op instructies en blijf in het voertuig tenzij de politie anders vraagt. Als je een personenauto bestuurt, kan de politie je rijbewijs en kentekencard vorderen en controleren of het voertuig verzekerd en gekeurd is. Ze kunnen verlichting, banden, lading, ruiten en gordels controleren. Bij verdenking kan een blaastest of speekseltest volgen. Ook passagiers kunnen worden gecontroleerd op het dragen van gordels of het gebruik van kinderzitjes.
Documenten en categorieën: bestuurders van motorvoertuigen moeten een passend rijbewijs kunnen tonen. Voor een personenauto is dat doorgaans rijbewijs B. Bestuurders van een bromfiets of snorfiets tonen rijbewijs AM; let op: een snorfiets is een soort bromfiets en geen motorvoertuig. Fietsers, ruiters en geleiders hebben geen rijbewijs, maar moeten aanwijzingen opvolgen. Een gehandicaptenvoertuig is weer een aparte categorie; afhankelijk van de uitvoering is geen rijbewijs vereist, maar de bestuurder moet net als anderen aanwijzingen van de politie direct opvolgen.
Belangrijke volgorde: aanwijzingen van de politie en van verkeersregelaars gaan voor verkeerstekens en verkeersregels. Als je de opdracht krijgt om te stoppen of te volgen, doe je dat meteen en veilig, ook als dat afwijkt van je oorspronkelijke route. Werk mee, beantwoord vragen kort en duidelijk, en vraag om toelichting als je iets niet begrijpt. Zo blijft de controle veilig en verloopt die meestal snel.
Wat je moet onthouden
- Volg aanwijzingen van de politie en van verkeersregelaars direct en volledig, ook als die afwijken van verkeersregels of tekens.
- Minder vaart, geef richting aan en stop op een veilige plek waar je het verkeer niet hindert.
- Op autosnelwegen en autowegen rijd je bij voorkeur door naar een parkeerplaats of tankstation; gebruik de vluchtstrook alleen op uitdrukkelijke aanwijzing van de politie.
- Blijf in het voertuig met de motor uit en je handen zichtbaar, tenzij je wordt gevraagd uit te stappen.
- Toon op vordering de vereiste documenten: als bestuurder van een personenauto je rijbewijs B en de kentekencard; als brom- of snorfietser je rijbewijs AM; andere bestuurders volgen aanwijzingen en tonen op verzoek de relevante gegevens.
- Zet je waarschuwingslichten aan als je op een ongebruikelijke plek stilstaat en dit helpt om gevaar te voorkomen.
- Bij een volgteken rijd je rustig achter de politie aan tot de aangewezen plek; niet abrupt remmen of onverwacht stilstaan.
- Gebruik tijdens de controle geen telefoon en verlaat je plek niet zonder toestemming.
Misverstanden
- Denken dat je midden op de rijstrook meteen moet stoppen; kies juist de eerstvolgende veilige plek.
- Zelfstandig de vluchtstrook opgaan zodra je een politieauto ziet, zonder dat daar opdracht voor is.
- Uitstappen en naar de agent toelopen zonder dat dit is gevraagd.
- Aannemen dat alleen bestuurders van motorvoertuigen gecontroleerd kunnen worden; ook fietsers, brom- en snorfietsers, ruiters en geleiders vallen onder bestuurders.
- Plotseling hard remmen zonder richting aan te geven, waardoor achteropkomend verkeer schrikt.
- Wegrijden of een controle negeren omdat je denkt niets fout te hebben; dat levert extra gevaar en problemen op.
Niet verwarren met
- snelheidscontrole Bij een politiecontrole kun je voor meerdere zaken worden staandegehouden en gecontroleerd, niet alleen op snelheid.
- blaastest Een politiecontrole kan een blaastest omvatten, maar is breder en kan ook je identiteit, papieren, voertuig en rijgedrag controleren.
Waar dit bij hoort
Dit begrip komt aan bod in Wetgeving, hoofdstuk 7 van de gratis theoriecursus.
Andere begrippen
Ook een rijschool nodig?
Dit begrip hoort bij de theorie. Die leer je hier gratis, voor de rijlessen heb je een rijschool nodig. Op Ribba vergelijk je rijscholen op het slagingspercentage van het CBR, het prijsniveau en de beoordelingen van eerdere leerlingen.
Rijscholen vergelijken