Hoofdstuk 1 van 11

Gebruik van de weg

Gebruik van de weg: een Nederlandse verkeerssituatie vanuit de bestuurdersstoel

Gebruik de rijbaan en houd zoveel mogelijk rechts, haal in principe links in en ken de maximumsnelheden, plus de regels voor stilstaan en parkeren. Weet ook wat veelvoorkomende wegtermen betekenen zodat je situaties beter herkent.

Waar het CBR naar vraagt: De plaats op de weg, voorsorteren, inhalen, maximumsnelheid, stilstaan en parkeren.

Niveau K+. Je neemt een juiste beslissing in een situatie en laat zien dat je begrijpt hoe de regel werkt. Bijvoorbeeld: wie laat je hier voorgaan?

De borden bij dit hoofdstuk

Klik op een bord voor de betekenis en wat je moet doen.

Plaats op de weg: zoveel mogelijk rechts

Als bestuurder gebruik je de rijbaan en houd je zoveel mogelijk rechts.

Bovenaanzicht van een Nederlandse weg met twee rijrichtingen, rode fietsstroken met fietssymbolen en verhoogde trottoirs.
De rijbaan omvat hier het grijze gedeelte én de twee rode fietsstroken. De verhoogde trottoirs vallen erbuiten.
Afbeelding vergroten

Als bestuurder rijd je op de rijbaan en houd je zoveel mogelijk rechts.

Andere weggebruikers hebben vaak een eigen plek: voetgangers gebruiken het trottoir of voetpad. Fietsers gebruiken het verplichte fietspad, anders de rijbaan, en bromfietsers het fiets/bromfietspad, anders de rijbaan. Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig mogen op trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of rijbaan rijden. Ruiters gebruiken het ruiterpad, anders berm of rijbaan.

Voetgangers mogen de rijbaan gebruiken bij een colonne, optocht of uitvaartstoet.

Je rijdt met de auto op een tweerichtingsweg in een woonstraat. Rechts ligt een fietsstrook met doorgetrokken streep en er nadert tegenverkeer. Jij blijft op de rijbaan zoveel mogelijk rechts, maar niet op de fietsstrook. Dat doe je omdat je rechts moet houden, maar een fietsstrook met doorgetrokken streep niet mag gebruiken.

Twee fietsers naast elkaar mag; snorfietsers niet.

Een onderbroken fietsstrook hoort bij de rijbaan; die mag je zo nodig gebruiken.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 31 Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden. 2 Fietsers mogen met zijn tweeën naast elkaar rijden. Dit geldt niet voor snorfietsers. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 41 Voetgangers gebruiken het trottoir of het voetpad. 2 Zij gebruiken het fietspad of het fiets/bromfietspad indien trottoir en voetpad ontbreken. 3 Zij gebruiken de berm of de uiterste zijde van de rijbaan, indien ook een fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt. 4 In afwijking van het eerste en het tweede lid gebruiken personen die zich verplaatsen met behulp van voorwerpen, niet zijnde voertuigen, het fietspad, het fiets/bromfietspad, het trottoir of het voetpad. Zij gebruiken de rijbaan indien een fietspad, een fiets/bromfietspad, een trottoir of een voetpad ontbreekt. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 51 Fietsers gebruiken het verplichte fietspad of het fiets/bromfietspad. 2 Zij gebruiken de rijbaan indien een verplicht fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt. 3 Zij mogen het onverplichte fietspad gebruiken. Bestuurders van snorfietsen uitgerust met een verbrandingsmotor mogen het onverplichte fietspad slechts gebruiken met uitgeschakelde motor. 4 Bestuurders van fietsen op meer dan twee wielen die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter en van fietsen met aanhangwagen die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter mogen de rijbaan gebruiken. 5 Bestuurders vanaf 16 jaar van snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet mogen het trottoir en het voetpad gebruiken indien zij beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een bij ministeriële regeling aangewezen kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten. 6 Bestuurders jonger dan 16 jaar van snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet gebruiken het trottoir of het voetpad indien zij beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een bij ministeriële regeling aangewezen kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten. 7 Het eerste lid, het tweede lid en het vierde lid gelden niet voor bestuurders als bedoeld in het zesde lid. 8 Bestuurders van snorfietsen gebruiken de rijbaan indien dit bij verkeersbesluit, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet , is bepaald en bij het verkeersteken dat het verplichte fietspad aangeeft een onderbord dit aanduidt. 9 Het achtste lid is niet van toepassing op snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, onder d, van de wet en op bestuurders van snorfietsen zijnde bestuurders als bedoeld in het vijfde en zesde lid van dit artikel. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 61 Bromfietsers gebruiken het fiets/bromfietspad. 2 Zij gebruiken de rijbaan indien een fiets/bromfietspad ontbreekt. 3 Bestuurders van bromfietsen op meer dan twee wielen en bromfietsen met aanhangwagen, die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter, gebruiken de rijbaan. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 7Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig gebruiken het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of de rijbaan. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 81 Ruiters gebruiken het ruiterpad. 2 Zij gebruiken de berm of de rijbaan indien een ruiterpad ontbreekt. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 9Voetgangers mogen de rijbaan gebruiken, indien zij een colonne, een optocht of een uitvaartstoet vormen. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 101 Andere bestuurders dan die genoemd in de artikelen 5 tot en met 8 gebruiken de rijbaan. Deze bestuurders en voetgangers die een aanhangwagen voortbewegen die kennelijk bestemd is om door een motorvoertuig te worden voortbewogen, mogen voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad. 2 Andere bestuurders dan fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig mogen fietsstroken met doorgetrokken strepen niet gebruiken. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Rijstroken, linker-rijstrook en fietsstroken

Je rijdt op een rijstrook en gebruikt geen fietsstrook met doorgetrokken strepen, behalve als je fietser of bestuurder van een gehandicaptenvoertuig bent.

Vier genummerde panelen: rijstrook, fietsstrook met doorgetrokken lijn, fietsstrook met onderbroken lijn en suggestiestrook zonder fietssymbool.
1. Rijstrook voor motorvoertuigen. 2. Fietsstrook met een doorgetrokken lijn. 3. Fietsstrook met een onderbroken lijn. 4. Suggestiestrook zonder fietssymbool. Bij 3 en 4 maakt het fietssymbool het verschil. Deze voorbeelden tonen herkenning, niet alle gebruiksregels.
Afbeelding vergroten

De linker-rijstrook is de rijstrook helemaal links op een rijbaan met meerdere rijstroken. Je kiest je rijstrook bij je route. En bij het verkeer om je heen. Fietsstroken met doorgetrokken strepen gebruik je niet als bestuurder van een motorvoertuig. Behalve met een gehandicaptenvoertuig of als je fietser bent. Een suggestiestrook is een optische strook aan de zijkant van de rijbaan. Hij lijkt op een fietsstrook. Maar zonder de markering of borden van een echte fietsstrook. Een verhoogde rijbaanscheiding is een fysieke, verhoogde afscheiding tussen rijbanen. Voorbeeld: een betonnen of betegelde strook.

Op een weg met twee rijstroken per richting stokt rechts verkeer, naast een fietsstrook met doorgetrokken streep. Je gaat naar de linker-rijstrook en blijft van die strook af. Dat doe je omdat je je rijstrook op route en verkeer kiest, en een motorvoertuig die fietsstrook niet gebruikt.

Fietsstrook en suggestiestrook worden verwisseld; het verbod geldt bij doorgetrokken strepen.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 101 Andere bestuurders dan die genoemd in de artikelen 5 tot en met 8 gebruiken de rijbaan. Deze bestuurders en voetgangers die een aanhangwagen voortbewegen die kennelijk bestemd is om door een motorvoertuig te worden voortbewogen, mogen voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad. 2 Andere bestuurders dan fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig mogen fietsstroken met doorgetrokken strepen niet gebruiken. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Lange combinaties en de rijstroken die je mag gebruiken

Met een samenstel van voertuigen dat in totaal langer is dan 7 meter, of met een vrachtauto, gebruik je op een autosnelweg met drie of meer rijstroken in dezelfde rijrichting alleen de twee rechterrijstroken, behalve bij voorsorteren.

Houd afstand en ga tijdig naar de middelste strook. Keer pas terug naar rechts als ook achter de caravan voldoende ruimte is. Bij een combinatie langer dan 7 meter gebruik je op een autosnelweg met drie of meer rijstroken in dezelfde richting alleen de twee rechterrijstroken, behalve bij voorsorteren.

Op een autosnelweg met drie of meer rijstroken in dezelfde rijrichting gebruik je met een samenstel van voertuigen dat in totaal langer is dan 7 meter alleen de twee rechterrijstroken. Het gaat om de lengte van auto én aanhanger samen. Hetzelfde geldt voor een vrachtauto, ongeacht de lengte. Je blijft uit de linker rijstrook, omdat zo’n combinatie traag inhaalt en de doorstroming hindert.

Situatie: je rijdt met caravan op een autosnelweg met drie rijstroken. Rechts rijdt een vrachtauto iets langzamer. Jij gaat naar de middelste rijstrook en haalt rustig in. Waarom: je mag de linker rijstrook niet gebruiken met een combinatie langer dan 7 meter. Zodra het kan ga je weer terug naar rechts.

Voorsorteren (tijdig naar de juiste rijstrook voor je route) mag, maar alleen voor een splitsing of afrit. Niet om sneller in te halen. Twijfel je over je lengte, reken jezelf tot deze regel.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 31 Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden. 2 Fietsers mogen met zijn tweeën naast elkaar rijden. Dit geldt niet voor snorfietsers. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 431 Het is de bestuurders verboden op een autosnelweg of autoweg hun voertuig te keren of achteruit te rijden. 2 Het is de bestuurders voorts verboden op de rijbaan van een autosnelweg of autoweg hun voertuig te laten stilstaan. 3 Behoudens in noodgevallen is het de weggebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm. 4 Op een autosnelweg is het bestuurders van een samenstel van voertuigen met een totale lengte van meer dan 7 meter en van een vrachtauto verboden op een rijbaan met drie of meer rijstroken enig andere dan de twee meest rechts gelegen rijstroken te gebruiken. Het verbod geldt niet voor het geval zij moeten voorsorteren. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Voorsorteren en links afslaan

Als je links voorgesorteerd hebt en richting aangeeft naar links, mag verkeer jou rechts inhalen.

De blauwe auto sorteert links voor en geeft richting naar links. Dan mag de andere auto rechts passeren, als dat veilig kan.

Voorsorteren is op tijd je plek kiezen voor afslag of richting, bijvoorbeeld links voorsorteren voor linksaf. Links voorgesorteerd en richting links: verkeer mag je rechts inhalen. Met een uitvoegstrook verlaat je de rijbaan naar afrit of zijweg; gebruik die voor je afslag. Dit geldt voor alle bestuurders.

Bij een kruispunt op een brede weg wil je linksaf. Rechts naast je gaat verkeer rechtdoor. Je sorteert tijdig links en zet richting links aan. Je blijft links staan en laat rechts voorbij, want dan mogen bestuurders je rechts inhalen.

Verwar dit niet met zomaar rechts passeren. Alleen als je links hebt voorgesorteerd én links aangeeft, geldt de uitzondering.

Op een kruispunt met linksafstrook naast een rijstrook voor rechtdoor staat rechts een auto. Jij kiest tijdig links en zet richting links aan. Je blijft links en slaat af, want rechts mag voorbij.

Vergeten wordt vaak dat een fietser je rechts voorbij mag.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 111 Inhalen geschiedt links. 2 Bestuurders die links voorgesorteerd hebben en te kennen hebben gegeven dat zij naar links willen afslaan, worden rechts ingehaald. 3 Fietsers dienen elkaar links in te halen; zij mogen andere bestuurders rechts inhalen. 4 Bestuurders die zich rechts van een blokmarkering bevinden mogen bestuurders die zich links van deze markering bevinden rechts inhalen. 5 Bestuurders mogen trams rechts inhalen. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Inhalen: hoofdregel en uitzonderingen

Inhalen doe je links, behalve in de genoemde uitzonderingen.

Haal links in. Kijk, geef richting aan en wissel tijdig van rijstrook. Ga pas terug naar rechts als er voldoende ruimte is. De uitzonderingen lees je in de lestekst.

De hoofdregel: je haalt links in.

Uitzonderingen gelden. Bestuurder: wie een voertuig bestuurt. Een bestuurder die links heeft voorgesorteerd en links wil afslaan, mag je rechts inhalen. Fietsers halen elkaar links in, maar mogen andere bestuurders rechts inhalen. Rij jij rechts van een blokmarkering en een ander links, mag je rechts inhalen. Trams mag je rechts inhalen.

Je mag niet inhalen vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats.

In een woonstraat wacht je achter een auto die links heeft voorgesorteerd en richting links aangeeft. Jij rijdt rechts langs hem en gaat rechtdoor. Dat mag, want zo'n bestuurder mag je rechts inhalen.

Soms denk je dat rechts inhalen mag zodra iemand links rijdt. Dat klopt alleen als hij links heeft voorgesorteerd en dat heeft aangegeven. Voor fietsers geldt: andere fietsers links inhalen.

Het inhaalverbod bij een voetgangersoversteekplaats geldt ook voor fietsers: een fiets is een voertuig.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 111 Inhalen geschiedt links. 2 Bestuurders die links voorgesorteerd hebben en te kennen hebben gegeven dat zij naar links willen afslaan, worden rechts ingehaald. 3 Fietsers dienen elkaar links in te halen; zij mogen andere bestuurders rechts inhalen. 4 Bestuurders die zich rechts van een blokmarkering bevinden mogen bestuurders die zich links van deze markering bevinden rechts inhalen. 5 Bestuurders mogen trams rechts inhalen. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 12Het is verboden een voertuig vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats in te halen. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Fileverkeer en rechts inhalen in de file

Bij fileverkeer hoef je niet de meest rechtse rijstrook te volgen. Je mag rechts inhalen.

In een file mag je rechts inhalen. Volg de blauwe auto: de rechterrij rijdt sneller dan de rijen links. Blijf rustig in je rijstrook en houd afstand.

Autosnelweg met drie rijstroken in dezelfde richting, verkeer staat stil. Jij blijft op de rechterrijstrook en passeert langzaam de voertuigen op de rijstrook links van je. Dat mag, omdat dit fileverkeer is en je een file rechts mag inhalen.

Verwarring ontstaat tussen file en langzaam verkeer. Zonder file, zonder lange rij die stil of stapvoets gaat, geen rechts inhalen. Rijbaan en rijstrook niet verwarren.

Aan het begin van een tunnel met drie rijstroken staat het verkeer vast. Je blijft op de rechterstrook en rijdt stapvoets door, terwijl links stilstaat. Zo passeer je voertuigen links van je rechts. Dat mag, want dit is fileverkeer op rijstroken in dezelfde richting, dus rechts inhalen is toegestaan. Verwissel dit niet met gewoon langzaam verkeer zonder lange rij; dan mag het niet.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 131 Bij fileverkeer behoeft, indien de rijbaan is verdeeld in rijstroken in dezelfde richting, niet de meest rechts gelegen rijstrook te worden gevolgd. 2 Files mogen aan de rechterzijde worden ingehaald. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Maximumsnelheid binnen de bebouwde kom

Binnen de bebouwde kom is de maximumsnelheid voor motorvoertuigen 50 km per uur.

Nederlandse woonstraat met trottoirs; eronder het officiële kombord en de algemene limiet van 50 kilometer per uur.
Het kombord geeft het begin van de bebouwde kom aan. Voor een personenauto is 50 km/u de algemene maximumsnelheid. Een bord kan een andere limiet aangeven. Rijd langzamer wanneer de situatie dat vraagt.
Afbeelding vergroten

Binnen de bebouwde kom is je maximumsnelheid met een motorvoertuig 50 km per uur. Dit is de algemene limiet voor motorvoertuigen; verkeersborden en bijzondere voertuiglimieten kunnen een andere snelheid voorschrijven. Een maximum is geen voorgeschreven rijsnelheid. Rijd je met andere voertuigen of op paden? Binnen de bebouwde kom gelden specifieke maxima uit de regels.

Langs een woonstraat met een fiets/bromfietspad rijd je op een bromfiets, naast verkeer op de rijbaan. Je houdt 30 op het fiets/bromfietspad, omdat bromfietsen daar binnen de kom 30 mogen en motorvoertuigen op de rijbaan 50.

Je denkt snel dat 50 overal geldt. Niet zo. Voor bromfietsen 30 op het fiets/bromfietspad, 45 op de rijbaan. Op trottoir of voetpad 6 voor een gehandicaptenvoertuig met motor.

Ter hoogte van een wijkweg zonder fiets/bromfietspad rijd je op een bromfiets op de rijbaan. Je houdt 45. Want bromfietsen op de rijbaan binnen de kom mogen 45.

Snorfiets en bromfiets worden door elkaar gehaald. Een snorfiets rijdt maximaal 25. Een bromfiets rijdt binnen de kom 30 op het fiets/bromfietspad en 45 op de rijbaan.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 20Binnen de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden: a. voor motorvoertuigen 50 km per uur; b. voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor: 1. op het fiets/bromfietspad 30 km per uur; 2. op de rijbaan 45 km per uur; 3. op het fietspad, voor de hier bedoelde gehandicaptenvoertuigen, 30 km per uur; c. voor gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor, en snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet op het trottoir of het voetpad 6 km per uur. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 22Voor zover niet ingevolge andere artikelen van dit besluit een lagere maximumsnelheid geldt, gelden voor de volgende voertuigen de volgende bijzondere maximumsnelheden: a. voor kampeerwagens die volgens het kentekenbewijs behoren tot de categorie bedrijfsauto’s en waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3500 kg, vrachtauto’s en autobussen, niet zijnde T100-bussen, 80 km per uur; b. voor T100-bussen 100 km per uur; c. voor brommobielen 45 km per uur; d. voor snorfietsen 25 km per uur; e. voor personenauto’s, bestelauto’s, motorfietsen, driewielige motorvoertuigen en T100-bussen, die een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg voortbewegen, 90 km per uur; f. voor andere dan de in onderdeel e genoemde motorvoertuigen met aanhangwagen 80 km per uur. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Maximumsnelheid buiten de bebouwde kom

Buiten de bebouwde kom rij je met een personenauto maximaal 130 op autosnelwegen en 100 op autowegen. Op andere wegen 80, in km per uur. Volg altijd de aangegeven maximumsnelheid en eventuele tijdvensters. Op veel autosnelwegen geldt overdag 100 km/u. Er zijn ook trajecten met andere limieten. Een lagere geldende limiet gaat voor.

Drie voorbeelden van Nederlandse wegen: gewone weg, autoweg en autosnelweg. Eronder staan hun algemene maximumsnelheden en de borden voor autoweg en autosnelweg.
Buiten de bebouwde kom: voor een personenauto zijn 80, 100 en 130 km/u de wettelijke uitgangspunten. Controleer altijd de borden en tijdvensters. Op veel autosnelwegen geldt overdag 100 km/u. Het uiterlijk van de weg alleen bepaalt de limiet niet.
Afbeelding vergroten

Wettelijk geldt voor motorvoertuigen op autosnelwegen 130, op autowegen 100 en op andere wegen 80 km per uur. Dat zijn de maxima; borden kunnen een lagere limiet aangeven. Sommige voertuigsoorten en combinaties hebben een eigen maximumsnelheid.

Buiten de bebouwde kom op een autoweg rijdt een auto voor je met 120. Jij komt vanaf een invoegstrook en sluit aan. Je versnelt tot 100 en blijft daar. Dat doe je omdat voor motorvoertuigen op autowegen 100 geldt buiten de bebouwde kom, tenzij een bord een lagere snelheid aangeeft.

Autoweg en autosnelweg haal je door elkaar; 130 kan buiten de bebouwde kom alleen op de autosnelweg gelden, en ook daar alleen als de borden het toestaan.

Buiten de bebouwde kom rijd je op een weg zonder autosnelweg- of autowegbord. Een bestelauto achter je dringt aan. Jij houdt 80 aan en laat je niet opjagen. Dat doe je omdat op ‘andere wegen’ 80 geldt, zolang geen bord iets anders aangeeft.

Soms haal je 100 en 130 door elkaar. 130 is alleen op de autosnelweg mogelijk, en op veel autosnelwegen geldt overdag 100. Tankstations, parkeerplaatsen en bushaltes ernaast horen daar niet bij.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 21Buiten de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden: a. voor motorvoertuigen op autosnelwegen 130 km per uur, op autowegen 100 km per uur en op andere wegen 80 km per uur; b. voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor: 1. op het fiets/bromfietspad 40 km per uur; 2. op de rijbaan 45 km per uur; 3. op het fietspad, voor de hier bedoelde gehandicaptenvoertuigen, 40 km per uur; c. voor gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor, en snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet op het trottoir of het voetpad 6 km per uur. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Bijzondere maximumsnelheden die je moet kennen

Met een personenauto met aanhangwagen van niet meer dan 3500 kg rijd je maximaal 90 km/uur.

Blauwe auto met witte caravan haalt een vrachtwagen in op de middelste van drie snelwegstroken. De tekst noemt de maximumsnelheid voor een aanhanger met toegestane maximummassa tot en met 3500 kilogram.
De toegestane maximummassa (TMM) van de aanhanger bepaalt deze grens; niet het gewicht van de hele combinatie. Geldt op de weg een lagere limiet, dan houd je die aan.
Afbeelding vergroten

Voor personenauto’s, bestelauto’s, motorfietsen, driewielige motorvoertuigen en T100-bussen met een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg geldt 90 km/uur. Toegestane maximummassa staat op het kenteken. Andere voertuigcategorieën hebben bijzondere maxima in de regels.

Verwar toegestane maximummassa niet met echt gewicht. Het gaat om wat op het kenteken staat.

Na een tankstop rijd je een autoweg op met een personenauto en een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg. Je kiest 90 km/uur en niet harder. Want voor personenauto’s met zo’n aanhangwagen geldt 90 als bijzondere maximumsnelheid, ook als anderen sneller rijden.

Je verwart snel de hoge snelheden op de borden met jouw bijzondere maximum. Een T100-bus mag zonder aanhangwagen 100, maar met een aanhangwagen tot 3500 kg nog maar 90. Een vrachtauto met aanhangwagen valt niet onder 90, maar onder 80. Jij houdt die lagere waarde aan.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 22Voor zover niet ingevolge andere artikelen van dit besluit een lagere maximumsnelheid geldt, gelden voor de volgende voertuigen de volgende bijzondere maximumsnelheden: a. voor kampeerwagens die volgens het kentekenbewijs behoren tot de categorie bedrijfsauto’s en waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3500 kg, vrachtauto’s en autobussen, niet zijnde T100-bussen, 80 km per uur; b. voor T100-bussen 100 km per uur; c. voor brommobielen 45 km per uur; d. voor snorfietsen 25 km per uur; e. voor personenauto’s, bestelauto’s, motorfietsen, driewielige motorvoertuigen en T100-bussen, die een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg voortbewegen, 90 km per uur; f. voor andere dan de in onderdeel e genoemde motorvoertuigen met aanhangwagen 80 km per uur. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Wanneer mag je de autoweg of autosnelweg op?

Je motorvoertuig moet voor een autoweg minstens 50 km/u kunnen én mogen rijden. Voor een autosnelweg is dat 60 km/u.

Nederlandse wegbeelden met borden voor autoweg en autosnelweg. De toegangseisen zijn respectievelijk 50 en 60 kilometer per uur kunnen en mogen rijden.
Een autoweg is alleen toegankelijk voor motorvoertuigen die minstens 50 km/u kunnen én mogen rijden. Voor een autosnelweg is dat 60 km/u. Dit zijn toegangseisen: bij een file of gevaar moet je juist langzamer rijden of stoppen.
Afbeelding vergroten

Deze getallen zijn toegangseisen. Ze schrijven niet voor dat je altijd minstens 50 of 60 km/u moet rijden. In een file, bij slecht zicht of bij gevaar pas je je snelheid aan en stop je zo nodig. Er bestaat geen algemene minimumrijsnelheid voor het wegverkeer. Je mag het verkeer wel niet onnodig hinderen of gevaar veroorzaken.

Je rijdt in een brommobiel buiten de bebouwde kom. Je nadert een oprit van een autoweg. Jij rijdt niet de oprit op, maar volgt de gewone weg. Een gewone brommobiel mag maximaal 45 km/u en mag daarom de autoweg of autosnelweg niet op. Kies een andere route.

Hier gaat het vaak mis op het examen. Je verwart de 50 en 60, of het soort weg. Of je denkt dat je op deze wegen altijd minstens zo hard moet rijden. Het gaat erom wat je voertuig kan én mag.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 22Voor zover niet ingevolge andere artikelen van dit besluit een lagere maximumsnelheid geldt, gelden voor de volgende voertuigen de volgende bijzondere maximumsnelheden: a. voor kampeerwagens die volgens het kentekenbewijs behoren tot de categorie bedrijfsauto’s en waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3500 kg, vrachtauto’s en autobussen, niet zijnde T100-bussen, 80 km per uur; b. voor T100-bussen 100 km per uur; c. voor brommobielen 45 km per uur; d. voor snorfietsen 25 km per uur; e. voor personenauto’s, bestelauto’s, motorfietsen, driewielige motorvoertuigen en T100-bussen, die een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg voortbewegen, 90 km per uur; f. voor andere dan de in onderdeel e genoemde motorvoertuigen met aanhangwagen 80 km per uur. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 421 Het gebruik van de autosnelweg is slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van ten minste 60 km per uur mag en kan worden gereden. 2 Het gebruik van de autoweg is slechts toegestaan voor bestuurders van een motorvoertuig waarmee met een snelheid van ten minste 50 km per uur mag en kan worden gereden. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Kunnen stoppen binnen je zicht en omgaan met obstakels

Je stopt altijd binnen de afstand die je kunt overzien en die vrij is.

Rem op tijd en stop vóór het obstakel. Dit voorbeeld laat het principe zien, geen berekende remweg.

Kies je snelheid en volgafstand zo dat je binnen je zicht en de vrije wegligging stopt. Daar houd je steeds rekening mee.

Een wegversmalling is deel van de weg waar de rijbaan smaller wordt en je ruimte krimpt. Vaak vermindert ook je zicht bij zo'n versmalling.

Een verkeersdrempel is verhoging in het wegdek die aandacht vraagt en je rijlijn en comfort beïnvloedt. Pas je snelheid aan, zodat je veilig binnen zichtafstand stopt.

Voor je ligt een woonstraat met een wegversmalling en geparkeerde auto's. Een tegenligger zit al in de doorgang, vlak ervoor ligt een verkeersdrempel. Jij neemt gas los, kiest vóór de versmalling een wachtruimte en remt tot stilstand. Dat doe je omdat je alleen doorrijdt als je binnen je zicht en de vrije wegligging kunt stoppen.

Zichtafstand is geen volgafstand: onzichtbaar betekent niet vrij voor jou.

Heuveltoppen en bochten verleiden je tot te veel snelheid voor je zicht. Jij past dan je snelheid aan op het deel dat je wél ziet en vrij is.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 19De bestuurder moet in staat zijn zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Stilstaan: waar het niet mag

Je mag niet stilstaan op de in de regels verboden plaatsen, zoals kruispunten en oversteekplaatsen.

Een zebrapad over een Nederlandse woonstraat. Het beeld vermeldt het stilstaanverbod op en binnen vijf meter van de oversteekplaats.
Ook even iemand laten uitstappen mag hier niet: op een oversteekplaats en binnen 5 meter daarvan geldt een stilstaanverbod. De overige verboden plaatsen staan in de lestekst.
Afbeelding vergroten

Je mag niet stilstaan op een kruispunt of een overweg. Niet op een fietsstrook en evenmin op de rijbaan langs een fietsstrook. Ook niet op een oversteekplaats of binnen vijf meter daarvan. Niet in een tunnel. Niet bij een bushalte ter hoogte van de geblokte markering, of anders dichter dan 12 meter van het bord. Niet op de rijbaan langs een busstrook, en niet langs een gele doorgetrokken streep.

Uitzondering bij de bushalte: je mag er direct in- en uitstappen.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 231 De bestuurder mag zijn voertuig niet laten stilstaan: a. op een kruispunt of een overweg; b. op een fietsstrook of op de rijbaan langs een fietsstrook; c. op een oversteekplaats of binnen een afstand van vijf meter daarvan; d. in een tunnel; e. bij een bord bushalte ter hoogte van de geblokte markering dan wel, ingeval die markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord; f. op de rijbaan langs een busstrook en g. langs een gele doorgetrokken streep. 2 Onderdeel e van het eerste lid geldt niet voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van passagiers. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Parkeren: verboden plaatsen en hoe te plaatsen

Parkeren mag niet op die plekken. In parkeervakken sta je in de vakken. Dubbel parkeren mag niet.

Blauwe auto binnen een wit gemarkeerd parkeervak langs een Nederlands trottoir. De inrit verderop is vrij.
De auto staat helemaal binnen het parkeervak. De inrit boven het vak blijft vrij. Parkeer ook niet dubbel of op een andere verboden plaats.
Afbeelding vergroten

Vlak bij een kruispunt in een woonstraat is nog een plek, drie meter van de hoek. Je rijdt door en kiest een plek voorbij vijf meter, omdat parkeren dichterbij verboden is.

Tijdsaanduidingen op onderborden horen bij parkeerborden; buiten die uren geldt het niet. Bij een voorrangsweg buiten de bebouwde kom gaat het om de rijbaan. Je mag niet parkeren binnen vijf meter van een kruispunt, voor inrit of uitrit, langs gele onderbroken streep. Niet op laad- en losplaats. Niet tegen de aanduiding bij een parkeergelegenheid, niet op vergunninghoudersplaats zonder vergunning, en buiten de bebouwde kom niet op de rijbaan van een voorrangsweg. Staan er onder borden dagen of uren, dan gelden geboden of verboden alleen dan. Dubbel parkeren is verboden. Staan er parkeervakken, dan parkeer je binnen de vakken die er zijn.

Neem aanwijzingen op een parkeergelegenheid niet ruimer; je volgt precies het bord of onderbord.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 241 De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren: a. bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan; b. voor een inrit of een uitrit; c. buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg; d. op een parkeergelegenheid: 1°. voor zover zijn voertuig niet behoort tot de op het bord of op het onderbord aangegeven voertuigcategorie of groep voertuigen; 2°. op een andere wijze of met een ander doel dan op het bord of op het onderbord is aangegeven; 3°. op dagen of uren waarop dit blijkens het onderbord is verboden; e. langs een gele onderbroken streep; f. op een gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen; g. op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage I , indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend. 2 Indien onder de verkeersborden E4 tot en met E8, E12 en E13 van bijlage 1 , op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, gelden de uit het bord of onderbord voortvloeiende geboden of verboden slechts gedurende de aangegeven dagen of uren. 3 De bestuurder mag zijn voertuig niet dubbel parkeren. 4 Indien een parkeergelegenheid, aangeduid met een van de verkeersborden E4 tot en met E10, E12 of E13 van bijlage 1 , is voorzien van parkeervakken, mag slechts in die vakken worden geparkeerd. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Parkeerschijf-zone en blauwe streep

In een parkeerschijf-zone parkeer je alleen op aangewezen plekken, met de parkeerschijf op aankomsttijd ingesteld.

Blauwe auto langs een blauwe markering, met een parkeerschijf zichtbaar achter de voorruit.
Leg de parkeerschijf goed zichtbaar achter de voorruit. Je mag de aankomsttijd naar het eerstvolgende hele of halve uur afronden. Voorbeeld: aankomst 14.10 uur → instellen op 14.30 uur. Controleer de toegestane parkeerduur en de tijden op het bord.
Afbeelding vergroten

In een parkeerschijf-zone parkeer je alleen op aangewezen plekken of bij een blauwe streep.

Op een blauwe streep parkeer je met een motorvoertuig op meer dan twee wielen alleen met een duidelijk zichtbare parkeerschijf. Leg de schijf dan achter de voorruit.

Een parkeerschijf toont aan één kant kalenderuren en zet het begin van het parkeren in hele of halve uren. Automatische schijven die tijdens het parkeren doorschuiven zijn niet toegestaan.

Je mag het aankomsttijdstip naar boven afronden op het eerstvolgende hele of halve uur. Bijvoorbeeld: aankomst 14.10 uur, dan stel je 14.30 uur in. De toegestane parkeerduur mag niet verlopen zijn. Controleer de toegestane duur en de geldende dagen en uren.

Als op een onderbord dagen of uren staan, gelden deze regels alleen in die periode.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 251 Het is verboden in een parkeerschijf-zone te parkeren, behalve op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven of plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep. 2 Op plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep is het parkeren van een motorvoertuig op meer dan twee wielen slechts toegestaan indien het motorvoertuig is voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf. Indien het motorvoertuig is voorzien van een voorruit, wordt de parkeerschijf achter de voorruit geplaatst. 3 Op de parkeerschijf staat aan de getoonde zijde slechts één cijferreeks, die een aanduiding geeft van de kalenderuren, en die vanaf het begin van het parkeren in duidelijk leesbare cijfers tegen een contrasterende achtergrond in hele of halve uren het tijdstip weergeeft waarop met het parkeren is begonnen. Een parkeerschijf voorzien van een mechanisme dat tijdens het parkeren het tijdstip van aankomst automatisch verschuift, mag niet worden gebruikt. 4 Bij het instellen mag het tijdstip van aankomst naar boven worden afgerond op het eerstvolgende hele of halve uur. De toegestane parkeerduur mag niet zijn verstreken. 5 Indien op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, gelden het tweede tot en met het vierde lid slechts gedurende die dagen of uren. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Had je hier iets aan?

Laat het weten met een cijfer van één tot vijf.

Je oordeel over deze pagina

Vraag het aan ChatGPT

Snap je iets niet, of wil je een voorbeeld? Schrijf je vraag op, dan gaat deze pagina er als bron bij mee.

Ook een rijschool nodig?

De theorie leer je hier gratis. Voor de rijlessen heb je een rijschool nodig. Op Ribba vergelijk je rijscholen op het slagingspercentage van het CBR, het prijsniveau en de beoordelingen van eerdere leerlingen.

Rijscholen vergelijken

Deze pagina op je eigen site

Plak deze code waar je hem wilt tonen, inclusief de regel onder het kaartje.

Hulp nodig met plakken?

Zo ziet het eruit

Gratis theorie op Ribba Lees het hoofdstuk