Hoofdstuk 5 van 11

Verkeerstekens en aanwijzingen

Verkeerstekens en aanwijzingen: een Nederlandse verkeerssituatie vanuit de bestuurdersstoel

Volg aanwijzingen van bevoegden en alle verkeerstekens met een gebod of verbod; botst een regel met een teken dan geldt het teken, en bij voorrang gaan verkeerslichten boven die tekens. Ken de betekenissen van lichten, borden en wegmarkeringen en let op beperkingen per rijstrook, zone en onderbord.

Waar het CBR naar vraagt: Verkeersborden, verkeerslichten, verkeerstekens op het wegdek en aanwijzingen van bijvoorbeeld agenten.

Niveau K+. Je neemt een juiste beslissing in een situatie en laat zien dat je begrijpt hoe de regel werkt. Bijvoorbeeld: wie laat je hier voorgaan?

De borden bij dit hoofdstuk

Klik op een bord voor de betekenis en wat je moet doen.

Aanwijzingen en gebods- of verbodstekens moet je volgen

Je volgt aanwijzingen van bevoegden en je geeft gevolg aan verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.

Je volgt aanwijzingen, mondeling of met gebaren, van bevoegde en duidelijk kenbare ambtenaren. Ook van militairen van de Koninklijke Marechaussee. En van bevoegde en kenbare verkeersregelaars, van personen die bij praktijkles of het praktijkexamen voor verkeersregelaars optreden in voorgeschreven kleding.

Bevoegden gebruiken, voor zover mogelijk, de gebaren uit bijlage II wanneer zij aanwijzingen geven. Je volgt ook het stopteken van bevoegde, kenbare verkeersbrigadiers.

Je stopt ook zodra de begeleider van een railvoertuig jou daar een stopteken geeft. Dat is model F10, een rode vlag of rode lamp.

Verder geef je gevolg aan verkeerstekens met een gebod of een verbod.

Je rijdt in een woonstraat langs een school. Een verkeersbrigadier steekt het stopbord omhoog. Je stopt voor de oversteekplaats en wacht, want bestuurders moeten het stopteken van verkeersbrigadiers opvolgen.

Regelaars in opleiding tellen alleen tijdens de praktijkles of het examen, met voorgeschreven kleding. Van verkeersbrigadiers volg je alleen het stopteken.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 821 Weggebruikers zijn verplicht de aanwijzingen op te volgen die mondeling of door middel van gebaren worden gegeven door: a. de daartoe bevoegde en als zodanig kenbare ambtenaren, b. de militairen van de Koninklijke Marechaussee voor zover niet behorend tot de in onderdeel a bedoelde ambtenaren, c. de daartoe bevoegde en als zodanig kenbare verkeersregelaars, en d. de personen die optreden tijdens de praktijklessen of het praktijkexamen in het kader van een opleiding tot verkeersregelaar of een cursus voor verkeersregelaars, voor de duur van deze praktijklessen of dit praktijkexamen en voor zover gebruik wordt gemaakt van de bij ministeriële regeling voor verkeersregelaars voorgeschreven kleding. 2 Bij het geven van aanwijzingen door middel van gebaren worden, voor zover mogelijk, de in bijlage II vastgestelde aanwijzingen gegeven. 3 Bestuurders zijn tevens verplicht de in bijlage II, onderdeel 8 , vastgestelde aanwijzing om te stoppen op te volgen die wordt gegeven door daartoe bevoegde en als zodanig kenbare verkeersbrigadiers. 4 Weggebruikers zijn voorts verplicht te stoppen indien hen door een begeleider van een railvoertuig een stopteken volgens model F10 van bijlage 1 , een rode vlag of een rode lamp wordt getoond. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 62Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Wat gaat voor bij strijd: tekens en lichten

Botst een verkeersregel met een verkeersteken, dan volg je het teken. Bij voorrang volg je verkeerslichten boven die verkeerstekens.

Als een verkeersregel botst met een verkeersteken, dan volg je het teken. Bij voorrang volg je verkeerslichten boven die verkeerstekens.

Op een kruispunt met verkeerslichten en een stopbord kom je uit een woonstraat. Het licht staat op groen. Je rijdt door zonder te stoppen, want het verkeerslicht gaat boven het stopbord dat de voorrang regelt.

Wat vaak misgaat: denken dat verkeerslichten alles overstemmen. Ze gaan alleen boven tekens die de voorrang regelen. Een maximumsnelheid, rijrichting of inrijverbod verandert niet door groen of rood. Ook andersom: een bord gaat pas boven een verkeersregel als die twee echt botsen.

Op een stadsweg wil je linksaf een zijstraat in met een inrijverbod. Het verkeerslicht voor jou springt op groen. Je slaat niet af, want verkeerslichten regelen alleen de voorrang en het inrijverbod blijft gelden.

Dat onderscheid, voorrangstekens versus andere borden, wordt vaak door elkaar gehaald, vooral bij groen licht.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 63Verkeerstekens gaan boven verkeersregels, voor zover deze regels onverenigbaar zijn met deze tekens. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 64Verkeerslichten gaan boven verkeerstekens die de voorrang regelen. § 2. Verkeersborden Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Voor welke rijstrook of zijde geldt een bord

Een bord kan voor één of meer rijstroken gelden, E1, E2 en E3 gelden alleen voor de kant waar ze staan, en parkeren en plaatsen van fiets of bromfiets mag op daarvoor bestemde weggedeelten.

Heeft de weg rijstroken, dan kan een verkeersbord gelden voor één of meer rijstroken. Per rijstrook dus.

De verkeersborden E1, E2 en E3 gelden alleen voor die wegzijde van de weg. Alleen waar ze staan.

Parkeer je voertuig alleen op de daarvoor bestemde weggedeelten van de weg. Zet daar je fiets of bromfiets neer.

In een stadsweg met drie rijstroken hangt boven de rechterstrook 50. Boven de andere stroken staat niets. Voor je wisselen auto’s van strook. Je blijft rechts en houdt 50 aan, want dit bord geldt alleen voor die rijstrook.

Verwar per-rijstrook niet met per-wegzijde bij E1, E2 en E3. Een bord boven één rijstrook geldt niet automatisch voor de andere. Aangewezen parkeervakken mag je gebruiken.

In een woonstraat staat rechts bord E1 bij parkeervakken. Je parkeert in een vak. Want E1 geldt daar, maar parkeervakken zijn bestemd.

E1 rechts ook links laten gelden is fout.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 651 Ingeval een weg is verdeeld in rijstroken, kan de toepassing van een verkeersbord worden beperkt tot één of meer rijstroken. 2 De verkeersborden E1, E2 en E3 van bijlage I gelden slechts voor de zijde van de weg alwaar zij zijn geplaatst. 3 Het parkeren van een voertuig en het plaatsen van een fiets en van een bromfiets is echter toegestaan op de daartoe bestemde weggedeelten. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Zones en onderborden

Een bord met 'zone' geldt in het aangeduide gebied of tot de bijbehorende einde-zoneborden. Onderborden leggen uit, beperken tot of uitzonderen bepaalde weggebruikers of gedrag.

Zie je boven een verkeersbord het woord zone met een gebied erbij? Dan geldt dat bord in dat gebied.

Zie je boven een verkeersbord het woord zone zonder gebiedsaanduiding? Dan geldt het bord in het gebied tussen het bord en de bijbehorende einde-zoneborden, ook als bord E10 is geplaatst.

Met een onderbord krijg je extra uitleg bij het bord dat je ziet. Je ziet of het bord alleen geldt voor met symbolen aangeduide weggebruikers of gedrag. Met 'uitgezonderd' en symbolen zie je voor wie of welk gedrag het bord niet geldt.

Staan er teksten of tekens op een onderbord? Dan haal je het bedoelde verkeersgedrag uit dat onderbord, en die symbolen betekenen hetzelfde als in bijlage 1.

Langs een woonstraat passeer je 'Zone 30' zonder gebiedsaanduiding. In een zijstraat ontbreekt het einde-zonebord. Je houdt 30 aan tot dat bord, want een zone loopt door tot het einde-zonebord.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 661 Indien boven een verkeersbord het woord «zone» is aangebracht en een aanduiding van het gebied van de zone is toegevoegd, geldt het verkeersbord in het aldus aangeduide gebied. 2 Indien boven een verkeersbord het woord «zone» is aangebracht zonder aanduiding van het gebied van de zone, geldt het verkeersbord in een gebied dat wordt begrensd door het verkeersbord en een of meer in samenhang met dat verkeersbord geplaatste borden waarmee het einde van de zone wordt aangeduid. 3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing, als bord E 10 van bijlage 1 is geplaatst. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 671 Onder verkeersborden aangebrachte onderborden kunnen inhouden: a. een nadere uitleg van het verkeersbord; b. ingeval op een onderbord uitsluitend symbolen voorkomen: het verkeersbord geldt slechts voor de aldus aangeduide weggebruikers of het aldus aangeduide verkeersgedrag; c. ingeval op een onderbord het woord "uitgezonderd" in combinatie met symbolen voorkomt: het verkeersbord geldt niet voor de aldus aangeduide weggebruikers of het aldus aangeduide verkeersgedrag. 2 Indien het beoogde verkeersgedrag wordt aangegeven door middel van teksten of tekens al dan niet in combinatie met symbolen, blijkt het beoogde verkeersgedrag uit het onderbord. 3 Symbolen op onderborden hebben dezelfde betekenis als die welke in bijlage 1 zijn opgenomen. § 3. Verkeerslichten Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Driekleurige verkeerslichten

Bij driekleurige lichten: groen doorgaan, geel stoppen tenzij je redelijkerwijs niet meer kunt stoppen, en rood stoppen, plus regels voor pijlen, fietssymbool, militaire colonne, 'Rechtsaf voor (brom)fietsers vrij' en rijstrooklichten.

Groen licht betekent doorgaan. Geel betekent stoppen, behalve voor bestuurders die dichtbij zijn en redelijkerwijs niet meer kunnen stoppen; die mogen doorgaan. Rood licht betekent stop. Zie je een verlichte pijl, dan geldt dat licht alleen voor die richting. Bij een verlichte fiets geldt licht voor fietsers, bromfietsers op een fiets- of bromfietspad en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig. Rijd je in een militaire colonne die bij groen doorging, dan mag je door, ook als het licht verandert. Bij het bord 'Rechtsaf voor (brom)fietsers vrij' of 'Rechtsaf voor fietsers vrij' gelden geel en rood niet voor die rechts afslaande bestuurders, die daar het overige verkeer voor laten gaan. Op wegen met rijstroken dezelfde kant op kan een licht per rijstrook gelden; dan geldt het per strook.

Geel is stop; versnellen om het te halen valt hier niet onder.

Bij een kruispunt met aparte linksafstrook brandt voor jou een groene pijl, terwijl het gewone licht voor rechtdoor rood is. Je slaat linksaf. Dat mag, want een verlichte pijl geldt alleen voor die richting.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 681 Bij driekleurige verkeerslichten betekent: a. groen licht: doorgaan; b. geel licht: stop; voor bestuurders die het teken zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan; c. rood licht: stop. 2 Indien in een driekleurig verkeerslicht of in een daaraan toegevoegd éénkleurig verkeerslicht een verlichte pijl zichtbaar is, geldt het licht uitsluitend voor de door de pijl aangegeven richting. 3 Indien een verlichte afbeelding van een fiets zichtbaar is, geldt het licht voor fietsers, bromfietsers op een fiets/bromfietspad en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig. 4 Bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire colonne die het verkeerslicht bij groen licht is begonnen te passeren, mogen blijven doorgaan ook nadat een andere kleur licht zichtbaar is geworden. 5 Indien onder of bij een driekleurig verkeerslicht een bord is geplaatst met de tekst «Rechtsaf voor (brom)fietsers vrij» respectievelijk« Rechtsaf voor fietsers vrij» gelden het gele en het rode licht niet voor rechts afslaande fietsers, bromfietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig respectievelijk voor fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig. Zij dienen alsdan het overige verkeer ter plaatse voor te laten gaan. 6 Ingeval een weg is verdeeld in rijstroken met verkeer in dezelfde richting, kan de toepassing van een verkeerslicht worden beperkt tot één van deze rijstroken. In dat geval heeft het verkeerslicht slechts betrekking op het verkeer op de aangeduide rijstrook. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Tweekleurige lichten en tram/buslichten

Bij tweekleurige lichten is geel stoppen, tenzij je redelijkerwijs niet meer kunt stoppen; rood is stoppen, met dezelfde regels uit artikel 68. Bij tram- en buslichten is wit doorgaan, geel stoppen tenzij dat niet meer kan en rood stoppen, voor de genoemde bestuurders en richtingen.

Bij tweekleurige verkeerslichten is geel stoppen, behalve als je redelijkerwijs niet meer kunt stoppen. Ben je het licht al te dicht genaderd? Dan mag je doorrijden. Rood betekent altijd stoppen.

Het gaat om pijlen, fietsafbeeldingen, militaire colonnes, 'Rechtsaf ... vrij' en rijstrookspecifieke toepassing. Die regels uit artikel 68 gelden hier ook.

Bij tram- en buslichten betekent wit licht, ook knipperend, dat je doorgaat. Geel is stoppen, behalve als je redelijkerwijs niet meer kunt stoppen. Rood is stoppen.

Het witte licht en het witte knipperlicht gelden alleen voor de aangegeven richtingen.

Tram- en buslichten gelden voor bestuurders van een tram en van een lijnbus in die richting. Een bestuurder bestuurt een voertuig. Rij je op een busbaan of busstrook waarop het licht betrekking heeft? Dan geldt het ook voor jou.

Kruispunt met busstrook en wit pijllicht rechts; je rijdt door, want dit licht geldt op die strook.

Wit buslicht is geen groen voor iedereen.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 691 Bij tweekleurige verkeerslichten betekent: a. geel licht: stop; voor bestuurders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan; b. rood licht: stop. 2 Het tweede tot en met zevende lid van artikel 68 zijn van overeenkomstige toepassing. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 681 Bij driekleurige verkeerslichten betekent: a. groen licht: doorgaan; b. geel licht: stop; voor bestuurders die het teken zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan; c. rood licht: stop. 2 Indien in een driekleurig verkeerslicht of in een daaraan toegevoegd éénkleurig verkeerslicht een verlichte pijl zichtbaar is, geldt het licht uitsluitend voor de door de pijl aangegeven richting. 3 Indien een verlichte afbeelding van een fiets zichtbaar is, geldt het licht voor fietsers, bromfietsers op een fiets/bromfietspad en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig. 4 Bestuurders van een motorvoertuig dat behoort tot een militaire colonne die het verkeerslicht bij groen licht is begonnen te passeren, mogen blijven doorgaan ook nadat een andere kleur licht zichtbaar is geworden. 5 Indien onder of bij een driekleurig verkeerslicht een bord is geplaatst met de tekst «Rechtsaf voor (brom)fietsers vrij» respectievelijk« Rechtsaf voor fietsers vrij» gelden het gele en het rode licht niet voor rechts afslaande fietsers, bromfietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig respectievelijk voor fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig. Zij dienen alsdan het overige verkeer ter plaatse voor te laten gaan. 6 Ingeval een weg is verdeeld in rijstroken met verkeer in dezelfde richting, kan de toepassing van een verkeerslicht worden beperkt tot één van deze rijstroken. In dat geval heeft het verkeerslicht slechts betrekking op het verkeer op de aangeduide rijstrook. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 701 Bij tram/buslichten betekent: a. wit licht of wit knipperlicht: doorgaan; b. geel licht: stop; voor bestuurders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan; c. rood licht: stop. 2 Het witte licht en het witte knipperlicht gelden slechts voor de aangegeven richtingen. 3 De tram/buslichten gelden voor bestuurders van een tram en van een lijnbus, die de richting volgen waarop het licht betrekking heeft. 4 De tram/buslichten gelden tevens voor bestuurders van voertuigen, niet zijnde een lijnbus, die een busbaan of een busstrook gebruiken waarop het licht betrekking heeft. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Overweg-, brug- en rijstrooklichten

Bij overwegen: wit knipperlicht geen trein, rood knipperlicht stoppen. Bij bruglichten is rood, ook knipperend, stoppen. Rijstrooklichten tonen of je een rijstrook mag gebruiken, moet mijden of dat deze alleen voor BUS of LIJNBUS is.

Onder een matrixbord op een autosnelweg zie je boven jouw rijstrook een witte pijl. Links staat een groene pijl, rechts een maximumsnelheid op bord A3. Links is ruimte. Jij kijkt, geeft richting aan en wisselt naar de rijstrook met de groene pijl of het snelheidsbord. Je blijft weg van de rijstrook met de witte pijl. Je doet dat omdat de witte pijl een voorwaarschuwing is voor een rood kruis. Je gebruikt alleen rijstroken met een groene pijl of maximumsnelheid.

Sommigen denken dat een groene pijl verplicht is. Dat teken betekent alleen dat het mag. Anderen lezen een witte pijl als direct verbod. Het is een voorwaarschuwing: je kiest een andere rijstrook zodra het kan, omdat daarna een rood kruis kan volgen. Je denkt soms dat je bij een brug door kunt rijden als het water stil lijkt. Rood licht of rood knipperlicht bij bruglichten betekent altijd stoppen.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 71Bij overweglichten betekent: a. wit knipperlicht: er nadert geen trein; b. rood knipperlicht: stop. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 72Bij bruglichten betekent rood licht of rood knipperlicht: stop. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 73Bij rijstrooklichten betekent: a. groene pijl of maximumsnelheid, aangeduid door bord A3 van bijlage I : de rijstrook mag worden gebruikt; b. rood kruis: de rijstrook mag niet worden gebruikt. De vluchtstrook mag alleen in noodgevallen worden gebruikt; c. witte pijl: voorwaarschuwing rood kruis; d. het woord «BUS»: de rijstrook mag slechts gebruikt worden door bestuurders van een lijnbus en bestuurders van een autobus; e. het woord «LIJNBUS»: de rijstrook mag slechts worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Voetgangerslichten

Groen: je steekt over. Groen knipperend: je steekt over, rood volgt snel. Rood: je begint niet; ben je al bezig, loop snel door. Geel knipperlicht voor rood: je mag over, maar je laat het overige verkeer voor laten gaan.

Vervangt een geel knipperlicht het rode, als bedoeld in artikel 75, dan mag je oversteken, maar je laat het overige verkeer ter plaatse voor laten gaan; voor laten gaan betekent: je wacht even. Rood licht betekent: je begint niet met oversteken; ben je al bezig, loop zo snel mogelijk door. Groen knipperend licht: je steekt over, maar rood volgt snel. Groen licht betekent dat je als voetganger nu mag oversteken.

Je staat bij een kruispunt met voetgangerslichten; het rode is vervangen door geel knipperlicht. Auto's en fietsers rijden door. Je wacht tot er ruimte is en steekt dan over, omdat je bij geel knipperlicht mag oversteken, maar het overige verkeer eerst voor laat gaan.

Groen knipperend wordt soms gezien als niet meer mogen beginnen. Dat klopt niet: je mag nog starten, maar rood volgt snel. Geel knipperlicht geeft geen voorrang; je laat het overige verkeer ter plaatse voor gaan.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 741 Bij voetgangerslichten betekent: a. groen licht: voetgangers mogen oversteken; b. groen knipperend licht: voetgangers mogen oversteken; het rode licht verschijnt spoedig; c. rood licht: voetgangers mogen niet meer beginnen over te steken; reeds overstekende voetgangers moeten zo snel mogelijk doorlopen. 2 Indien het rode licht is vervangen door een geel knipperlicht als bedoeld in artikel 75 , mogen voetgangers oversteken, mits zij het overige verkeer ter plaatse voor laten gaan. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Doorgetrokken strepen, verdrijvingsvlakken en puntstukken

Je overschrijdt geen doorgetrokken streep en je bevindt je niet links ervan bij verkeer in twee richtingen. Uitzonderingen staan hierboven. Verdrijvingsvlakken en puntstukken gebruik je niet, behalve in die gevallen.

Je rijdt op een buitenweg met verkeer in twee richtingen. In het midden ligt een streepcombinatie: aan jouw kant onderbroken, aan de andere kant doorgetrokken. Voor je tuft een tractor. Er is ruim zicht. Jij geeft richting aan, haalt kort in en keert terug achter de onderbroken streep, omdat aan jouw zijde een onderbroken streep ligt en je die mag overschrijden.

Bij een afrit wordt een verdrijvingsvlak soms aangezien voor rijstrook. Dat vlak en het puntstuk gebruik je niet. Toegestaan is het alleen wanneer je een spitsstrook volgt die een splitsing of samenvoeging passeert. Of wanneer je rechtmatig een busbaan of busstrook volgt op zo’n plek. Verder wordt een doorgetrokken streep verward met een streep langs de rand. Het verbod uit deze regel gaat niet over die randstreep. Volg je daarentegen een open spitsstrook over het puntstuk, dan mag je erover. Je blijft eraf, omdat het geen rijstrook is.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 761 Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindt, mag niet worden overschreden. Bestuurders mogen zich niet links van een doorgetrokken streep bevinden, indien die streep is aangebracht tussen rijstroken of paden met verkeer in beide richtingen. 2 Het eerste lid is niet van toepassing: a. indien de streep wordt overschreden om een naast de gevolgde rijstrook gelegen vluchthaven, vluchtstrook of spitsstrook te bereiken of te verlaten; b. indien aan de zijde vanwaar men de streep overschrijdt een onderbroken streep is aangebracht; c. op bestuurders die een fietsstrook mogen gebruiken, indien er tussen die fietsstrook en de ernaast gelegen rijstrook een doorgetrokken streep is aangebracht. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 771 Bestuurders mogen verdrijvingsvlakken en puntstukken niet gebruiken. 2 Het eerste lid is niet van toepassing wanneer bestuurders een spitsstrook volgen die een splitsing of samenvoeging van wegen, rijstroken of rijbanen passeert. 3 Het eerste lid is niet van toepassing wanneer bestuurders rechtmatig een busbaan of busstrook volgen die een splitsing of samenvoeging van wegen, rijstroken of rijbanen passeert. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Gele strepen langs de stoeprand

Gele onderbroken streep: niet parkeren; gele doorgetrokken streep: niet stilstaan, dus geen direct in- of uitstappen.

Een gele onderbroken streep langs de stoeprand betekent: je mag niet parkeren. Een gele doorgetrokken streep verbiedt stilstaan. Parkeren is je voertuig langer stil laten staan dan voor direct in- of uitstappen of onmiddellijk laden en lossen. Stilstaan is kort.

Je rijdt in een winkelstraat met rechts een gele onderbroken streep. Je zet kort je passagier af bij de deur. Dat mag, want hier is alleen parkeren verboden; je mag kort stilstaan voor direct uitstappen. Je rijdt daarna meteen door.

Hier maak je vaak fouten. Je denkt snel dat een onderbroken streep ook stilstaan verbiedt. Bij een doorgetrokken streep mag je niet stilstaan, dus geen in- of uitstappen of laden en lossen. Onthoud: onderbroken is niet parkeren, doorgetrokken is niet stilstaan.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 241 De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren: a. bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan; b. voor een inrit of een uitrit; c. buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg; d. op een parkeergelegenheid: 1°. voor zover zijn voertuig niet behoort tot de op het bord of op het onderbord aangegeven voertuigcategorie of groep voertuigen; 2°. op een andere wijze of met een ander doel dan op het bord of op het onderbord is aangegeven; 3°. op dagen of uren waarop dit blijkens het onderbord is verboden; e. langs een gele onderbroken streep; f. op een gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen; g. op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage I , indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend. 2 Indien onder de verkeersborden E4 tot en met E8, E12 en E13 van bijlage 1 , op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, gelden de uit het bord of onderbord voortvloeiende geboden of verboden slechts gedurende de aangegeven dagen of uren. 3 De bestuurder mag zijn voertuig niet dubbel parkeren. 4 Indien een parkeergelegenheid, aangeduid met een van de verkeersborden E4 tot en met E10, E12 of E13 van bijlage 1 , is voorzien van parkeervakken, mag slechts in die vakken worden geparkeerd. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 231 De bestuurder mag zijn voertuig niet laten stilstaan: a. op een kruispunt of een overweg; b. op een fietsstrook of op de rijbaan langs een fietsstrook; c. op een oversteekplaats of binnen een afstand van vijf meter daarvan; d. in een tunnel; e. bij een bord bushalte ter hoogte van de geblokte markering dan wel, ingeval die markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord; f. op de rijbaan langs een busstrook en g. langs een gele doorgetrokken streep. 2 Onderdeel e van het eerste lid geldt niet voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van passagiers. § 10. Parkeren Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Pijlen, stopstreep en haaientanden

Op een kruispunt volg je je voorsorteerstrook of uitrijstrook, je stopt bij je stopstreep als dat verplicht is en bij haaientanden verleen je voorrang aan bestuurders op de kruisende weg.

Verwarring ontstaat over pijlen: ze worden soms gezien als advies. De plicht geldt op een kruispunt op de voorsorteerstrook en op de uitrijstrook ter hoogte van de pijlen. Buiten die plekken toont een pijl richting, maar deze regel verplicht niet. Ook wordt de fietsstrook in zo’n voorsorteerstrook los gezien. Die strook maakt deel uit van de voorsorteerstrook; je volgt dezelfde richting. Je stopt voor de stopstreep alleen wanneer stoppen verplicht is. Haaientanden betekenen voorrang verlenen aan bestuurders, niet aan voetgangers.

Stel je komt aan bij een kruispunt met drie voorsorteerstroken: linksaf, rechtdoor, rechtsaf. Jij staat op de middelste strook; links naast je staat iemand die linksaf wil. Je rijdt rechtdoor zodra je weg kunt, zonder van strook te wisselen. Dat doe je omdat op een kruispunt de richting van jouw voorsorteerstrook verplicht is. Afwijken van de pijl op je strook mag niet, dus je gaat rechtdoor.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 781 Bestuurders die de rijbaan volgen zijn verplicht op een kruispunt de richting te volgen die de voorsorteerstrook waarop zij zich bevinden aangeeft. Een in een voorsorteerstrook gelegen fietsstrook maakt deel uit van deze voorsorteerstrook. 2 Bestuurders die de doorgaande rijbaan verlaten en daartoe een uitrijstrook volgen, zijn ter hoogte van de daarin aangebrachte pijlen verplicht om de richting te volgen die de uitrijstrook waarop zij zich bevinden, aangeeft. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 79Bestuurders moeten voor een voor hen bestemde stopstreep stoppen, indien stoppen op grond van dit besluit is verplicht. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 80Haaientanden hebben de volgende betekenis: de bestuurders moeten voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Ook een rijschool nodig?

De theorie leer je hier gratis. Voor de rijlessen heb je een rijschool nodig. Op Ribba vergelijk je rijscholen op het slagingspercentage van het CBR, het prijsniveau en de beoordelingen van eerdere leerlingen.

Rijscholen vergelijken