Doorstroming
Doorstroming is het vlot en gelijkmatig laten doorrijden van verkeer, zonder onnodig remmen, wachten of blokkeren. Het draait om voorspelbaarheid, tijdig beslissen en elkaar ruimte geven.
Doorstroming betekent dat de verkeersstroom zo min mogelijk schokkerig wordt: geen plotseling remmen, geen dichtlopende rijstroken en zo min mogelijk stilstand. Remgolven ontstaan vaak door te weinig afstand, laat richting geven of onrustig wisselen van rijstrook. Alle bestuurders hebben hier invloed op. Bestuurders zijn in het verkeer alle weggebruikers behalve voetgangers, dus ook ruiters en geleiders van dieren. Voor de auto-theorie is vooral jouw rol als automobilist belangrijk, maar besef dat ook motorfietsen, brom- en snorfietsen en gehandicaptenvoertuigen de stroom beïnvloeden. Een bromfiets is geen motorvoertuig; een snorfiets is een soort bromfiets. Op autosnelwegen en autowegen kom je deze categorieën niet tegen, maar in de bebouwde kom wel.
Als automobilist houd je de stroom gaande door ver vooruit te kijken, je snelheid geleidelijk aan te passen en ruime volgafstand te houden. Uitrollen is bijna altijd beter dan laat hard remmen. Geef op tijd richting aan en maak je keuze voor rijstrook vroeg, zodat anderen niet hoeven te schrikken. Houd rechts als dat kan en gebruik de linker rijstrook vooral om in te halen. Vaak wisselen van rijstrook levert zelden tijdwinst op en veroorzaakt onrust. Zet na het inhalen weer tijdig terug naar rechts zodra er voldoende ruimte is. Blokkeer geen kruispunt: rijd het pas op als je het ook vlot kunt verlaten.
Invoegen en uitvoegen vragen extra aandacht. Gebruik de volledige invoegstrook om je snelheid aan te passen en voeg vloeiend in op een groot gat, niet op het eerste het beste kleine gaatje. Laat ruimte voor invoegers als dat veilig kan en rits bij samenvoegen gelijkmatig. Blijf weg van puntstukken en verdrijvingsvlakken: die zijn niet bedoeld om te rijden of te stoppen. In de bebouwde kom houd je kruispunten, rotondes, fietsstroken en overwegen vrij. Geef bussen binnen de bebouwde kom gelegenheid hun halte te verlaten, zodat ook het openbaar vervoer door kan. Bij pech verplaats je je voertuig zo veel mogelijk uit de verkeersstroom en waarschuw je tijdig, zodat de rest van het verkeer niet onnodig vastloopt.
Wat je moet onthouden
- Kijk ver vooruit en pas je snelheid vroeg en geleidelijk aan om schokremmingen te voorkomen.
- Houd ruime volgafstand zodat je kunt uitrollen in plaats van hard remmen.
- Houd rechts als dat kan; haal links in en ga daarna weer terug naar rechts zodra er ruimte is.
- Gebruik de volledige invoegstrook, pas je snelheid aan en voeg vloeiend in op een groot gat.
- Rits gelijkmatig bij rijstrookvermindering en laat waar mogelijk ruimte voor invoegers.
- Rijd een kruispunt of rotonde pas op als je het ook vlot kunt verlaten; blokkeer niemand.
- Gebruik geen busbaan of busstrook als je daar niet mag rijden; houd de rijstroken vrij voor wie daar hoort te rijden.
- Rijd niet op puntstukken en verdrijvingsvlakken en stop daar ook niet.
- Geef bussen binnen de bebouwde kom gelegenheid om van een halte weg te rijden door snelheid te minderen of zo nodig te stoppen.
Misverstanden
- Denken dat sneller rijden dan de stroom echt tijdwinst oplevert; je creëert juist remgolven en extra inhaalbewegingen.
- Bumperkleven: te weinig afstand dwingt jou en achteropkomers tot hard remmen.
- Gaten bewust dichtgooien voor invoegers; hierdoor stokt de hele samenvoeging.
- Onrustig en vaak van rijstrook wisselen in drukte; dit verstoort de voorspelbaarheid.
- Te laat richting aangeven, waardoor anderen moeten remmen of uitwijken.
- Kruispunten of rotondes oprijden zonder uitrijruimte; je blokkeert de tegenstroom.
- Rijden of stilhouden op puntstukken of verdrijvingsvlakken, waardoor rijstroken vastlopen.
- Aannemen dat alleen bestuurders van motorvoertuigen de doorstroming beïnvloeden; ook andere bestuurders (zoals ruiters of geleiders van dieren) tellen mee.
Niet verwarren met
- maximumsnelheid Doorstroming gaat niet over de toegestane snelheid, maar over hoe gelijkmatig en vlot het verkeer feitelijk doorrijdt.
- filevorming Doorstroming beschrijft juist het soepel kunnen doorrijden en het beperken van onnodig remmen en wachten.
- spitsstrook Doorstroming is het bereikte verkeersverloop, terwijl een spitsstrook slechts een middel is om dat verloop te verbeteren.
Waar dit bij hoort
Dit begrip komt aan bod in Gebruik van de weg, hoofdstuk 1 van de gratis theoriecursus.
Andere begrippen
Ook een rijschool nodig?
Dit begrip hoort bij de theorie. Die leer je hier gratis, voor de rijlessen heb je een rijschool nodig. Op Ribba vergelijk je rijscholen op het slagingspercentage van het CBR, het prijsniveau en de beoordelingen van eerdere leerlingen.
Rijscholen vergelijken