Waarschuwingslichten
Waarschuwingslichten zijn de richtingaanwijzers die links en rechts tegelijk knipperen. Je zet ze aan om anderen direct te waarschuwen voor gevaar of iets onverwachts, bijvoorbeeld bij pech of plotseling stilstaan.
Met waarschuwingslichten, ook wel alarmlichten, knipperen links en rechts tegelijk. De schakelaar is meestal een duidelijke knop met een rode driehoek op je dashboard. Zo valt je voertuig extra op en snapt verkeer dat er iets is. Gebruik ze om gevaar te markeren of als jij zelf een hindernis vormt. Voorbeeld: een noodstop, pech op de vluchtstrook, of het einde van een file. Dan remt achteropkomend verkeer tijdig af.
Let op het verschil tussen voertuigen. Motorvoertuigen op meer dan twee wielen hebben een plicht rond de gevarendriehoek. Dat geldt ook voor aanhangwagens. Het speelt wanneer je stilstaat en een moeilijk waarneembaar obstakel vormt. Rijd je op een motorfiets met twee wielen, dan geldt die plicht niet. Hetzelfde geldt voor bromfietsen, snorfietsen en gehandicaptenvoertuigen. Die vallen hier niet onder, want dit gaat om motorvoertuigen op meer dan twee wielen. Je mag wel je verlichting of aanwezige waarschuwingslichten gebruiken om op te vallen.
Sta je stil met een motorvoertuig op meer dan twee wielen of met een aanhangwagen. Vorm je dan een moeilijk waarneembaar obstakel, plaats een gevarendriehoek. Zet die goed zichtbaar op de weg, op ongeveer 30 meter. Richt hem op het verkeer dat gevaar loopt. Voer je knipperend waarschuwingslicht, dan hoef je hem daar niet te plaatsen. Bij een losgekoppelde aanhangwagen ontbreekt knipperend waarschuwingslicht, dus blijft de gevarendriehoek nodig. Kies in de praktijk veiligheid op de autosnelweg of autoweg. Zet direct je waarschuwingslichten aan, ga naar de vluchtstrook, verlaat je voertuig en ga achter de vangrail. Plaats een gevarendriehoek alleen als dat veilig kan. Je waarschuwingslichten zorgen er dan in elk geval voor dat je beter opvalt.
Wat je moet onthouden
- Gebruik waarschuwingslichten alleen om te waarschuwen voor gevaar of onverwachte stilstand, bijvoorbeeld bij pech, een noodstop of plotselinge filevorming.
- Sta je stil met een motorvoertuig op meer dan twee wielen of met een aanhangwagen en ben je een moeilijk waarneembaar obstakel, plaats een gevarendriehoek. Zet die goed zichtbaar op de weg, op ongeveer 30 meter, gericht op het verkeer dat gevaar loopt.
- In die situatie is de gevarendriehoek niet nodig als je waarschuwingslichten knipperen.
- Voor motorfietsen op twee wielen, bromfietsen, snorfietsen en gehandicaptenvoertuigen geldt geen plicht tot een gevarendriehoek; maak je wel zo zichtbaar mogelijk, met verlichting of aanwezige waarschuwingslichten.
- Een losgekoppelde aanhangwagen die een obstakel vormt, duid je aan met een gevarendriehoek, want er is dan geen knipperend waarschuwingslicht.
- Gebruik waarschuwingslichten niet als richtingaanwijzer, niet om te parkeren waar dat niet mag en niet om voor te dringen.
Misverstanden
- Geloven dat iedereen altijd een gevarendriehoek moet plaatsen; de plicht geldt alleen voor stilstaande motorvoertuigen op meer dan twee wielen en voor aanhangwagens.
- Aannemen dat je met waarschuwingslichten altijd voorrang krijgt of overal mag stilstaan.
- Waarschuwingslichten laten knipperen tijdens normaal rijden zonder acute reden; ze zijn alleen om voor gevaar te waarschuwen.
- Vergeten dat de gevarendriehoek ongeveer 30 meter van je voertuig staat en gericht is op het verkeer dat gevaar loopt.
- Een losgekoppelde aanhangwagen zonder gevarendriehoek laten staan omdat de auto met waarschuwingslichten verderop staat.
- Waarschuwingslichten verwarren met rijstrooklichten boven de weg; die sturen het gebruik van rijstroken en staan los van je voertuigverlichting.
Niet verwarren met
- richtingaanwijzer Waarschuwingslichten laten beide richtingaanwijzers tegelijk knipperen om te waarschuwen, niet om een afslaande richting aan te geven.
- knippersignaal Waarschuwingslichten gebruiken je knipperlichten en blijven knipperen zolang je ze inschakelt, niet een kort seintje met je koplampen.
- gevarendriehoek Bij waarschuwingslichten blijft het waarschuwingssignaal op je voertuig zichtbaar, je zet niets los op de weg neer.
Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 581 Stilstaande motorvoertuigen op meer dan twee wielen en aanhangwagens moeten worden aangeduid door een gevarendriehoek, indien het voertuig een obstakel vormt dat door naderende bestuurders niet tijdig als zodanig kan worden opgemerkt. 2 De gevarendriehoek moet goed zichtbaar op de weg worden geplaatst op een afstand van ongeveer 30 meter van het voertuig en in de richting van het verkeer waarvoor het voertuig gevaar oplevert. 3 Het eerste lid geldt niet wanneer knipperend waarschuwingslicht wordt gevoerd. § 26a. Zitplaatsen Lees het artikel op wetten.overheid.nl
Waar dit bij hoort
Dit begrip komt aan bod in Veilig rijden en reageren in noodsituaties, hoofdstuk 4 van de gratis theoriecursus.
Andere begrippen
Ook een rijschool nodig?
Dit begrip hoort bij de theorie. Die leer je hier gratis, voor de rijlessen heb je een rijschool nodig. Op Ribba vergelijk je rijscholen op het slagingspercentage van het CBR, het prijsniveau en de beoordelingen van eerdere leerlingen.
Rijscholen vergelijken