Autogordel

autogordel in het verkeer

De autogordel houdt je veilig bij een noodstop of botsing. Je draagt de gordel altijd als die op jouw zitplaats aanwezig is; de airbag is alleen een aanvulling.

In personenauto’s, bedrijfsauto’s of bestelauto’s, driewielige motorvoertuigen met gesloten carrosserie en brommobielen gebruiken de bestuurder en alle passagiers de beschikbare autogordel. Dat geldt dus ook achterin. Een bromfiets of snorfiets heeft geen gordel en valt buiten deze regels; een brommobiel valt er wél onder. Zijn de passagierszitplaatsen in de auto van gordels voorzien, dan mag je daar niet meer passagiers vervoeren dan er gordels zijn.

Kinderen jonger dan 18 jaar en kleiner dan 1,35 meter gebruiken een passend en goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem. Een naar achteren gericht kinderzitje plaats je niet op een zitplaats met een werkende voorairbag; dat mag alleen als de airbag is uitgeschakeld of automatisch voldoende uitschakelt. Is je voertuig niet uitgerust met autogordels of met een geschikt kinderzitje, dan vervoer je geen passagiers jonger dan 3 jaar. Passagiers van 3 tot 18 jaar die kleiner zijn dan 1,35 meter mogen dan niet op een van de voorste zitplaatsen zitten. Voor taxi’s geldt een bijzondere regel: als er in de taxi géén kinderzitje beschikbaar is, worden kinderen die jonger zijn dan 18 jaar en kleiner dan 1,35 meter achterin vervoerd. Is er wél een geschikt kinderzitje aanwezig, dan moet dat ook in een taxi worden gebruikt.

In een autobus gebruiken de bestuurder en passagiers vanaf 3 jaar de aanwezige gordel of het kinderbeveiligingssysteem zodra zij zitten en de bus rijdt. De plicht wordt in de bus bekendgemaakt, bijvoorbeeld via omroep, schermen of opschriften/pictogrammen. Uitzonderingen: in bussen waar staan is toegestaan hoef je geen gordel te gebruiken, en ook niet in stads- of streekbussen die volgens dienstregeling binnen de bebouwde kom rijden. Bij bussen met ligplaatsen gebruik je de veiligheidsvoorziening van de ligplaats. Rolstoelpassagiers worden met de rolstoel stabiel vastgezet en gebruiken de gordel van het voertuig, de gordel van het vastzetsysteem of een aangewezen constructie. Heb je om medische redenen een ontheffing, dan hoef je de gordel of het kinderbeveiligingssysteem niet te gebruiken; zo’n ontheffing is gebaseerd op een artsenverklaring en is tijdelijk geldig. Let op: een taxichauffeur die passagiers tegen betaling vervoert hoeft zelf geen gordel te dragen; zonder passagiers geldt de normale gordelplicht.

Wat je moet onthouden

  • Gebruik de beschikbare autogordel op elke zitplaats in personenauto’s, bedrijfsauto’s/bestelauto’s, driewielige motorvoertuigen met gesloten carrosserie en brommobielen.
  • Vervoer op zitplaatsen met gordels nooit meer passagiers dan er gordels zijn.
  • Kinderen jonger dan 18 jaar en kleiner dan 1,35 m gebruiken een passend en goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem.
  • Zet een naar achteren gericht kinderzitje niet op een zitplaats met een werkende voorairbag; alleen toegestaan als de airbag is uitgeschakeld of automatisch voldoende uitschakelt.
  • Als je voertuig geen gordels of kinderbeveiligingssysteem heeft: geen passagiers jonger dan 3 jaar vervoeren; passagiers van 3–18 jaar die kleiner zijn dan 1,35 m niet op de voorste zitplaatsen.
  • Taxi’s: is er géén kinderzitje aanwezig, dan worden passagiers die jonger zijn dan 18 jaar en kleiner dan 1,35 m achterin vervoerd. Is er wél een geschikt kinderzitje, dan moet dat ook in de taxi worden gebruikt.
  • Derde kind-regel: op de achterbank van personenauto’s en bestelauto’s mag, als twee kinderzitjes al zijn geplaatst en worden gebruikt en er geen ruimte is voor een derde, een derde passagier van 3 jaar of ouder en kleiner dan 1,35 m met de autogordel worden vervoerd. Niet op de voorste zitplaatsen.
  • Autobus: bestuurder en passagiers van 3 jaar of ouder gebruiken bij zittend vervoer de gordel of het aanwezige kinderbeveiligingssysteem zodra de bus rijdt.
  • Autobus-uitzonderingen: geen gordelplicht in bussen waar staan is toegestaan en in stads-/streekbussen die volgens dienstregeling binnen de bebouwde kom rijden; bij ligplaatsen gebruik je de daarvoor bestemde voorziening.
  • Rolstoelpassagiers: zet de rolstoel deugdelijk vast en gebruik de gordel van het voertuig, de gordel van het vastzetsysteem of een aangewezen constructie.
  • Taxichauffeur die passagiers tegen betaling vervoert: geen gordelplicht tijdens dat vervoer; zonder passagiers wel gordelplicht.
  • Medische ontheffing: alleen geldig met officiële ontheffing op medische gronden; zonder ontheffing blijft de gordelplicht gelden.

Misverstanden

  • “In taxi’s geldt de kinderzitjesplicht nooit.” Onjuist: als er een geschikt kinderzitje aanwezig is, moet dat ook in een taxi worden gebruikt. Alleen als er géén kinderzitje aanwezig is, mag het kind achterin zonder kinderzitje worden vervoerd.
  • “De airbag vervangt de gordel.” Onjuist: de airbag is een aanvulling; zonder gordel loop je ernstig letsel op.
  • “Achterin hoef je geen gordel om.” Onjuist: ook achterin gebruik je de beschikbare gordel.
  • “Je mag twee kinderen in één gordel vastmaken.” Onjuist: één persoon per gordel.
  • “Een achterwaarts kinderzitje mag altijd voorin.” Onjuist: niet bij een werkende passagiersairbag.
  • “Als er geen ruimte is voor drie kinderzitjes, mag het derde kind met gordel ook voorin.” Onjuist: de uitzondering geldt alleen achterin in personenauto’s en bestelauto’s.
  • “In voertuigen zonder gordels mag je jonge kinderen voorin meenemen.” Onjuist: geen kinderen jonger dan 3 jaar; kinderen van 3–18 jaar kleiner dan 1,35 m niet voorin.
  • “Een brommobiel heeft dezelfde vrijstelling als een bromfiets.” Onjuist: in een brommobiel geldt juist de gordelplicht.
  • “Een taxichauffeur moet altijd een gordel dragen.” Onjuist: tijdens vervoer van passagiers tegen betaling niet; zonder passagiers wel.

Niet verwarren met

  • driepuntsgordel Hier gaat het om je autogordel in het algemeen; een driepuntsgordel is slechts één specifieke uitvoeringsvorm.
  • heupgordel Hier gaat het om alle autogordels die je omdoet; een heupgordel is een oudere of specifieke variant.
  • veiligheidshamer Hier gaat het om het gordelsysteem dat je draagt en vastklikt; een veiligheidshamer is een los noodhulpmiddel.

Bron: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 591 Bestuurders van een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel en hun passagiers maken gebruik van de voor hen beschikbare autogordel. Passagiers die jonger zijn dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter, maken gebruik van een voor hen geschikt kinderbeveiligingssysteem dat is voorzien van een keurmerk als bedoeld in artikel 22, vijfde lid, van de wet . Wanneer de zitplaatsen die bestemd zijn voor passagiers voorzien zijn van autogordels, worden op deze zitplaatsen niet meer passagiers vervoerd dan er autogordels aanwezig zijn. 2 Met een personenauto, een bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel die niet zijn uitgerust met een autogordel of kinderbeveiligingssysteem als bedoeld in het eerste lid, worden geen passagiers vervoerd die jonger zijn dan 3 jaar en worden passagiers in de leeftijd van 3 tot 18 jaar met een lengte van minder dan 1,35 meter op een andere zitplaats dan een van de voorste zitplaatsen vervoerd. 3 Passagiers die jonger zijn dan 18 jaar, worden niet in een naar achteren gericht kinderbeveiligingssysteem op een passagierszitplaats met een voorairbag vervoerd, tenzij deze airbag is uitgeschakeld of automatisch op toereikende wijze wordt uitgeschakeld. 4 Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een rolstoel. Deze passagiers worden vervoerd in een rolstoel die in het voertuig wordt vastgezet op een wijze die de stabiliteit van de rolstoel en de veiligheid van de rolstoelgebruiker waarborgt. Deze passagiers maken gebruik van: a. de voor hen beschikbare veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het voertuig, b. de veiligheidsgordel die deel uitmaakt van het systeem waarmee de rolstoel aan de vloer van het voertuig is bevestigd, of c. een door Onze Minister aangewezen constructie. 5 Het eerste lid, tweede volzin, en het tweede lid zijn niet van toepassing tijdens vervoer in taxi’s. In taxi’s waarin geen kinderbeveiligingssysteem aanwezig is, worden passagiers die jonger zijn dan 18 jaar en met een lengte van minder dan 1,35 meter op een andere zitplaats dan een van de voorste zitplaatsen vervoerd. 6 Het eerste lid voor zover dat op bestuurders betrekking heeft en het vierde lid gelden niet tijdens het vervoer van passagiers tegen vergoeding in de zin van de Wet personenvervoer 2000 en tijdens vraagafhankelijk openbaar vervoer in taxi’s, anders dan in de gevallen waarin een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 81, tweede lid, van die wet , of anders dan tijdens taxivervoer in een taxi die is ingericht voor rolstoelvervoer overeenkomstig de daaromtrent gestelde eisen in de Regeling voertuigen . 7 De autogordel, de veiligheidsgordel of het kinderbeveiligingssysteem wordt gebruikt op een wijze die de beschermende werking ervan niet negatief beïnvloedt of kan beïnvloeden. Personen van 18 jaar en ouder en personen onder de 18 jaar die in de betrokken omstandigheden geen gebruik hoeven maken van een kinderbeveiligingssysteem, kunnen een voorziening gebruiken door middel waarvan het diagonale deel van de autogordel over de schouder wordt geleid. Onze Minister kan aan een dergelijke voorziening nadere eisen stellen. 8 Het is bestuurders van de in het eerste lid genoemde voertuigen verboden passagiers jonger dan 12 jaar en passagiers die gebruik maken van een rolstoel te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven. 9 Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een ligplaats. Deze passagiers maken, indien beschikbaar, gebruik van de daarvoor bestemde veiligheidsvoorziening die deel uitmaakt van het voertuig of van het systeem waarmee de ligplaats aan de vloer van het voertuig is bevestigd. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 59a1 Bestuurders van een autobus en hun passagiers van 3 jaar of ouder gebruiken de autogordel of het kinderbeveiligingssysteem waarmee de autobus is uitgerust, wanneer zij zich op hun zitplaats bevinden en het voertuig deelneemt aan het verkeer. 2 Passagiers van een autobus die in beweging is, wordt meegedeeld dat het verplicht is gebruik te maken van het in het eerste lid genoemde beveiligingsysteem wanneer zij zich op hun zitplaats bevinden en het voertuig deelneemt aan het verkeer. Deze mededeling gebeurt op één of meer van de volgende manieren: a. door de bestuurder, de conducteur, de reisleider of een als groepsleider aangewezen persoon; b. door audiovisuele middelen; c. door opschriften of het volgende pictogram: Het pictogram wordt bij gebruikmaking daarvan duidelijk op iedere zitplaats aangebracht. 3 In afwijking van het eerste lid behoeven passagiers van autobussen waarin het vervoer van staande passagiers is toegestaan geen beveiligingssysteem te gebruiken en behoeven passagiers van autobussen die volgens een dienstregeling stads- of streekvervoer uitvoeren binnen de bebouwde kom geen beveiligingssysteem te gebruiken. 4 Het is bestuurders van een autobus verboden passagiers jonger dan 12 jaren te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven. 5 Het eerste lid geldt niet voor passagiers die gebruik maken van een ligplaats. Deze passagiers maken, indien beschikbaar, gebruik van de daarvoor bestemde veiligheidsvoorziening die deel uitmaakt van het voertuig of van het systeem waarmee de ligplaats aan de vloer van het voertuig is bevestigd. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 59b1 In afwijking van artikel 59, eerste en achtste lid , mag anders dan op de voorste zitplaatsen in personenauto’s en bestelauto’s, wanneer het na installatie van twee kinderbeveiligingssystemen niet mogelijk is nog een derde kinderbeveiligingssysteem te installeren en deze beveiligingssystemen in gebruik zijn, een derde passagier die 3 jaren of ouder is en met een lengte van minder dan 1,35 meter, worden vervoerd wanneer deze een autogordel gebruikt. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 881 Indien op grond van medische noodzaak toepassing wordt gevraagd van artikel 149, tweede lid, van de wet voor wat betreft ontheffing van de verplichting tot gebruik van autogordels en kinderbeveiligingssystemen, kan een schriftelijke verklaring van een arts worden verlangd. 2 De ontheffing vermeldt een geldigheidsduur van maximaal twintig jaar. 3 Op de ontheffing wordt het symbool zoals aangeduid in artikel 5 van de richtlijn nr 91/671/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels in voertuigen van minder dan 3,5 ton ( PbEG L 373) aangebracht. 4 Een wijziging van de richtlijn nr 91/671/EEG gaat voor de toepassing van het derde lid gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven. 5 De aan de behandeling van de aanvraag van een ontheffing van het gebruik van autogordels en kinderbeveiligingssystemen verbonden kosten worden ten laste van de aanvrager gebracht. § 3 Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Waar dit bij hoort

Dit begrip komt aan bod in Veilig rijden en reageren in noodsituaties, hoofdstuk 4 van de gratis theoriecursus.

Andere begrippen

Ook een rijschool nodig?

Dit begrip hoort bij de theorie. Die leer je hier gratis, voor de rijlessen heb je een rijschool nodig. Op Ribba vergelijk je rijscholen op het slagingspercentage van het CBR, het prijsniveau en de beoordelingen van eerdere leerlingen.

Rijscholen vergelijken