Rijvaardigheid

rijvaardigheid in het verkeer

Rijvaardigheid is je vermogen om een voertuig veilig, vlot en met inzicht te besturen en te begeleiden. Je kijkt vooruit, maakt de juiste keuzes en voert die gecontroleerd uit.

Rijvaardigheid gaat om het complete proces van waarnemen, begrijpen, kiezen en uitvoeren. Je kijkt ver vooruit en om je heen, herkent risico’s op tijd en past je rijgedrag daarop aan. Je kiest een goede plaats op de weg, houdt passende volgafstand en snelheid, en geeft duidelijk richting aan. Je bedient het voertuig soepel, anticipeert op fouten van anderen en blijft rustig bij drukte of onverwachte situaties. Hulpsystemen kunnen helpen, maar jij blijft altijd verantwoordelijk voor wat het voertuig doet.

Er is ook een juridische kant. Rijden, laten rijden of begeleiden is verboden als je onder zodanige invloed van een stof verkeert waarvan je weet of redelijkerwijs moet weten dat die de rijvaardigheid kan verminderen, dat je niet meer tot behoorlijk besturen of begeleiden in staat moet worden geacht. Denk aan alcohol, drugs en bepaalde medicijnen. Voor alcohol gelden extra, harde meetgrenzen. Ga je daaroverheen, dan is rijden, laten rijden of begeleiden altijd verboden, ongeacht hoe nuchter je je voelt. De algemene alcoholgrens geldt voor iedereen die een voertuig bestuurt. Daarnaast is er een lagere grens voor beginnende bestuurders op motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is vereist. Een bromfiets en snorfiets zijn motorrijtuigen, maar geen motorvoertuigen. Een gehandicaptenvoertuig is weer een aparte categorie en is meestal niet rijbewijsplichtig.

Het CBR beoordeelt je rijvaardigheid bij het praktijkexamen en volgt daarvoor landelijke richtlijnen. Later kan het CBR opnieuw beoordelen als er een vermoeden is dat je rijvaardigheid of geschiktheid tekortschiet. Het CBR kan een educatieve maatregel of een onderzoek opleggen, de geldigheid van je rijbewijs schorsen en een rijbewijs ongeldig verklaren. Als de politie een melding doet in aangewezen gevallen, beslist het CBR snel. In bepaalde situaties wordt de geldigheid van je rijbewijs direct geschorst totdat er een definitief besluit is en moet je je rijbewijs inleveren. Lesauto’s en examenvoertuigen moeten aan extra eisen voldoen, zoals dubbele bediening en extra spiegels.

Wat je moet onthouden

  • Je mag niet rijden, iemand laten rijden of begeleiden als je door een stof zó onder invloed bent dat je niet meer tot behoorlijk besturen of begeleiden in staat moet worden geacht.
  • Algemene alcohollimiet voor iedereen die een voertuig bestuurt: hoger dan 220 µg/l uitgeademde lucht of hoger dan 0,5 mg/ml bloed is altijd verboden om te rijden, te laten rijden of te begeleiden.
  • Lagere alcohollimiet voor beginnende bestuurders van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is vereist, én voor iedereen die zo’n motorrijtuig zonder rijbewijs bestuurt: hoger dan 88 µg/l of hoger dan 0,2 mg/ml is verboden.
  • Wanneer ben je beginnend bestuurder voor deze lagere grens: 7 jaar vanaf je eerste AM of T als je dat vóór je 18e kreeg; 5 jaar vanaf je eerste rijbewijs als je dat op of na je 18e kreeg; 5 jaar vanaf je eerste rijbewijs B als je dat vóór je 18e kreeg. Had je al AM of T vóór je 18e, dan blijft de 7-jaarstermijn vanaf dat eerste rijbewijs gelden.
  • De lagere alcohollimiet geldt niet voor fietsers of bestuurders van een gehandicaptenvoertuig. Zij vallen onder de algemene limiet.
  • Het CBR beoordeelt rijvaardigheid en medische geschiktheid, kan educatieve maatregelen en onderzoeken opleggen, de geldigheid van rijbewijzen schorsen en rijbewijzen ongeldig verklaren, en werkt volgens landelijke richtlijnen.
  • Na een politieduiding in aangewezen gevallen beslist het CBR snel. In bepaalde gevallen wordt de geldigheid van je rijbewijs meteen geschorst tot het definitieve besluit en moet je het rijbewijs inleveren. Is er geen schorsing maar is je rijbewijs eerder ingenomen, dan moet het worden teruggegeven.
  • Voertuigen die voor rijles of een officiële rijproef worden gebruikt, moeten aan extra technische eisen voldoen, zoals dubbele bediening en extra spiegels.
  • Bij rijles met dubbele bediening of tijdens een officiële rijproef geldt de instructeur of toezichthouder in juridische zin als bestuurder van een motorvoertuig voor de toepasselijke regels.

Misverstanden

  • Onder invloed is altijd verboden. Correctie: pas verboden als je daardoor niet meer behoorlijk kunt besturen of begeleiden. Boven de alcohollimieten is het wél altijd verboden, ongeacht je gevoel.
  • De beginnerslimiet geldt voor alle voertuigen. Correctie: alleen voor motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is vereist, niet voor fietsers of bestuurders van een gehandicaptenvoertuig.
  • Een bromfiets is een motorvoertuig. Correctie: een bromfiets en snorfiets zijn motorrijtuigen, geen motorvoertuigen. Ze zijn wel rijbewijsplichtig, dus de lagere alcohollimiet kan gelden.
  • Alleen de feitelijke bestuurder kan worden aangepakt. Correctie: ook wie laat rijden of wie begeleidt, valt onder dezelfde verboden en kan maatregelen krijgen.
  • Het CBR kan je rijbewijs zomaar innemen. Correctie: het CBR kan de geldigheid schorsen en je verplichten het rijbewijs in te leveren. Direct innemen op straat gebeurt door de politie in hun bevoegdheid.
  • Een lesauto zonder dubbele bediening mag als je instructeur naast je zit. Correctie: voor rijonderricht en examens zijn extra voorzieningen zoals dubbele bediening verplicht.

Niet verwarren met

  • rijbevoegdheid Rijvaardigheid gaat over wat je daadwerkelijk kunt in de auto, niet over of je volgens de wet mag rijden.
  • rijgedrag Rijvaardigheid beschrijft je technische en cognitieve beheersing van voertuig en verkeershandelingen, los van de keuzes die je in je rijstijl maakt.
  • reactievermogen Rijvaardigheid is breder dan alleen snel en juist reageren en omvat ook voertuigbeheersing en verkeersinzicht.

Bron: Wegenverkeerswet 1994, artikel 81 Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht. 2 Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat: a. het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel b. het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed. 3 In afwijking van het tweede lid is het de bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, verboden dat motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat: a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,2 milligram per milliliter bloed, indien: 1° sedert de datum waarop hem voor de eerste maal een rijbewijs voor de categorie AM of T is afgegeven nog geen zeven jaren zijn verstreken en hij op het tijdstip van afgifte van dat rijbewijs de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, 2°. sedert de datum waarop hem voor het eerst een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en hij op het tijdstip van afgifte van dat rijbewijs de leeftijd van ten minste achttien jaar heeft bereikt, dan wel 3°. indien sedert de datum waarop hem voor het eerst een rijbewijs voor de categorie B is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en hij op het tijdstip van afgifte van het rijbewijs voor de categorie B nog niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, ongeacht of hij op dat tijdstip van afgifte van het rijbewijs voor de categorie B al in het bezit was van een rijbewijs voor de categorie AM of T. 4 Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op een ieder die zonder dat aan hem een rijbewijs is afgegeven een motorrijtuig bestuurt voor het besturen waarvan een rijbewijs vereist is. 5 Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn. 6 Het is verboden een motorrijtuig als bestuurder te doen besturen door een persoon waarvan men weet of redelijkerwijs moet weten dat deze verkeert in een toestand als in het eerste, tweede, derde of vijfde lid is omschreven. 7 Voor de toepassing van het derde lid wordt onder een rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland en wordt voor de toepassing van het derde lid, aanhef en onderdelen 1° en 3°, met een rijbewijs voor de categorie AM of T gelijk gesteld een rijbewijs voor de categorie A1, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland aan een persoon die op het tijdstip van afgifte nog niet de leeftijd van achttien jaar had bereikt. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Wegenverkeerswet 1994, artikel 4z1 Er is een Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, in het maatschappelijk verkeer aangeduid als CBR. Het bureau bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Rijswijk. 2 Op het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing, met uitzondering van artikel 15 van die wet . Artikel 4z1 Bij de toepassing van de taken op het gebied van de beoordeling van de rijvaardigheid, neemt het CBR de bij ministeriële regeling aangewezen richtlijn, of de aangewezen onderdelen daarvan, in acht. Paragraaf 2. Taken van het CBR Artikel 4aa 1 Het CBR is belast met de volgende taken: a. het beoordelen van de rijvaardigheid; b. het beoordelen van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen; c. het opleggen van onderzoeken naar de rijvaardigheid en de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van houders van rijbewijzen ten aanzien van wie een vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid of geschiktheid bestaat; d. het opleggen van educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen; e. [Red: vervallen;] f. het schorsen van de geldigheid van rijbewijzen; g. het ongeldig verklaren van rijbewijzen; h. het verlenen van ontheffingen als bedoeld in artikel 149, tweede lid ; i. het afgeven van gehandicaptenparkeerkaarten aan aanvragers die niet als ingezetene zijn ingeschreven in de basisregistratie personen; j. het beoordelen van de vakbekwaamheid van bestuurders in het goederen- en personenvervoer over de weg; k. het erkennen van opleidingscentra voor het verrichten van nascholing en het certificeren van cursussen met betrekking tot vakbekwaamheid bestuurders goederen- en personenvervoer over de weg en het registreren van nascholing; l. het houden van toezicht op de naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit de in onderdeel k bedoelde erkenningen; m. het uitreiken van certificaten die aantonen dat een bestuurder als bedoeld in artikel 151b, onderdeel b , een aantal uren nascholing heeft gevolgd, maar de nascholing nog niet met goed gevolg heeft voltooid; n. het ongeldig verklaren van getuigschriften van vakbekwaamheid en getuigschriften van nascholing als bedoeld in artikel 151b, onderdelen d en f ; o. het verwerken van gegevens, waaronder mede begrepen gegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15, van de Algemene verordening gegevensbescherming, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken waarmee het CBR bij of krachtens deze wet is belast, alsmede van de taken waarmee het CBR bij of krachtens andere wetten is belast; p. het met inachtneming van artikel 4am vaststellen van de tarieven, alsmede het vaststellen van de wijze van betaling van deze tarieven, voor het verrichten van taken waarvoor het CBR bij of krachtens deze wet bevoegd is, alsmede voor de bij of krachtens andere wetten opgedragen taken; q. het verstrekken van gegevens voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken waarmee het CBR dan wel andere organisaties bij of krachtens deze wet zijn belast; r. het in stand houden en beheren van een systeem waarin rijscholen kunnen worden ingeschreven, franchiserelaties tussen rijscholen en overdrachten van rijscholen kunnen worden geregistreerd en waarmee rijscholen examens bij het CBR kunnen reserveren; s. het informeren van rijscholen over relevante ontwikkelingen voor hun taakuitvoering. 2 Bij de toepassing van de taken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, neemt het CBR de bij ministeriële regeling aangewezen richtlijn of de aangewezen onderdelen daarvan, in acht. 3 Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen c tot en met g, wordt onder rijbewijzen mede verstaan rijbewijzen, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is. 4 Voorts is het CBR belast met: a. de bij of krachtens andere wetten opgedragen taken, en b. andere bij regeling van Onze Minister opgedragen taken waarbij regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de tarieven van deze taken. Artikel 4ab Beleidsregels omtrent de uitoefening van de bij of krachtens andere wetten dan deze wet aan het CBR opgedragen taken worden door Onze Minister vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister(s) wie het aangaat. Paragraaf 3. De organen Artikel 4ac Het CBR heeft een directie en een raad van toezicht. Artikel 4ad 1 De directie bestaat uit maximaal twee leden. 2 Het lidmaatschap van de directie is onverenigbaar met het lidmaatschap van de raad van toezicht. 3 In geval van schorsing of ontstentenis van een lid van de directie voorziet Onze Minister in de waarneming van diens functie. 4 De leden van de directie worden benoemd voor een tijdvak van maximaal vier jaar en zijn aansluitend éénmalig voor een tijdvak van maximaal vier jaar herbenoembaar. In het geval van bijzondere omstandigheden binnen de organisatie van het CBR kan een lid van de directie bij afloop van de tweede benoemingstermijn terstond opnieuw worden benoemd voor een tijdvak van maximaal twee jaar. 5 De directie stelt bij bestuursreglement haar werkwijze vast. Artikel 4ae 1 De directie is belast met de dagelijkse leiding van het CBR. 2 Alle bevoegdheden van het CBR die niet bij of krachtens deze wet aan de raad van toezicht zijn opgedragen, komen toe aan de directie. Artikel 4af 1 De directie vertegenwoordigt het CBR in en buiten rechte. 2 De directie kan onder haar verantwoordelijkheid de vertegenwoordiging, bedoeld in het eerste lid, opdragen aan een of meer directieleden of andere personen. Zij kan bepalen dat deze vertegenwoordiging uitsluitend betrekking heeft op bepaalde onderdelen van de taak van het CBR dan wel op bepaalde aangelegenheden. Artikel 4ag 1 De directie verstrekt de raad van toezicht tijdig de voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen en andere gegevens. 2 De directe legt jaarlijks, en voorts tussentijds indien hiertoe naar het oordeel van de raad van toezicht aanleiding bestaat, aan de raad van toezicht verantwoording af over het door haar gevoerde beleid. Artikel 4ah 1 De raad van toezicht bestaat uit vijf leden, waaronder de voorzitter. 2 Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de leden van de raad van toezicht. 3 Onze Minister benoemt de voorzitter, gehoord de raad van toezicht. 4 De leden van de raad van toezicht hebben op persoonlijke titel zitting in de raad en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 5 De raad van toezicht verschaft Onze Minister alle verlangde inlichtingen, met inachtneming van het door Onze Minister vastgestelde informatiestatuut. Artikel 4ai 1 De voorzitter en de overige leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een tijdvak van vier jaren en zijn aansluitend éénmalig voor een tijdvak van vier jaren herbenoembaar. 2 De leden van de raad van toezicht kan tussentijds op eigen verzoek, dan wel om zwaarwichtige redenen ontslag worden verleend. 3 Zolang in een vacature van de raad van toezicht niet is voorzien, vormen de overblijvende leden de raad van toezicht, met de bevoegdheid van de volledige raad. Betreft het de vacature van de voorzitter dan wijzen de overblijvende leden uit hun midden een lid aan dat tijdelijk als voorzitter fungeert. 4 Indien een lid wordt benoemd ter vervanging van een tussentijds opengevallen plaats, bepaalt Onze Minister het tijdvak van de benoeming. Artikel 4aj 1 De raad van toezicht ziet toe op de werkzaamheden van de directie en staat die met raad terzijde. 2 Goedkeuring door de raad van toezicht behoeven in ieder geval de besluiten van de directie betreffende: a. het reglement, bedoeld in artikel 4an ; b. investeringen die een door de raad van toezicht vast te stellen bedrag te boven gaan; c. wijzigingen in de rechtspositie van het personeel; d. de bij of krachtens deze wet aan Onze Minister uit te brengen rapportages. 3 Onze Minister kan bepalen dat de directie de voorafgaande instemming behoeft van de raad van toezicht voor een beslissing als bedoeld in artikel 32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen of dat de directie, ingeval Onze Minister een beslissing als bedoeld in dat artikel aan zijn voorafgaande instemming heeft onderworpen, die beslissing pas aan hem kan voorleggen nadat de raad van toezicht heeft verklaard tegen die beslissing geen bedenkingen te hebben. 4 De directie behoeft in elk geval de voorafgaande instemming van de raad van toezicht voor de besluiten betreffende: a. de begroting; b. de vaststelling van de tarieven, bedoeld in artikel 4aa, eerste lid, onderdeel p , de tarieven die voortvloeien uit artikel 4aa, derde lid, onderdeel b, alsmede de wijze van betaling van deze tarieven; c. het jaarverslag en de jaarrekening; d. het bestuursreglement, bedoeld in artikel 4ad, vijfde lid ; e. het financiële meerjarenbeleidsplan; f. het sluiten van overeenkomsten van zwaarwegend belang. 5 De in het vierde lid, onderdelen e en f genoemde besluiten behoeven de goedkeuring van Onze Minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. 6 De raad van toezicht kan geen rechtsgeldige besluiten nemen indien niet ten minste de meerderheid van de leden ter vergadering aanwezig is. 7 De raad van toezicht stelt bij reglement zijn werkwijze vast. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister. 8 De vergaderingen van de raad van toezicht zijn niet openbaar. Artikel 4ak 1 Onze Minister kan aan de leden van de raad van toezicht, ten laste van het CBR, een vergoeding toekennen voor hun werkzaamheden. 2 De leden van de raad van toezicht hebben aanspraak op vergoeding van de door hen in de uitoefening van hun functie gemaakte reis- en verblijfkosten. 3 De raad van toezicht heeft een eigen secretariaat; de kosten daarvan komen ten laste van het CBR. Paragraaf 4. Financiële bepalingen Artikel 4al De inkomsten van het CBR bestaan uit: a. de opbrengsten van de tarieven en overige heffingen; b. vergoedingen voor verrichte diensten; c. andere baten hoe ook genoemd. Artikel 4am De hoogte van de tarieven, bedoeld in artikel 4aa, eerste lid, onderdeel p wordt gerelateerd aan de met de uitvoering van de taak redelijkerwijs gemoeide kosten. Artikel 4an De directie stelt bij reglement richtlijnen vast voor het voeren van een ordelijk financieel beheer van het CBR. Artikel 4ao Het boekjaar van het CBR valt samen met het kalenderjaar. Artikel 4ap 1 De directie dient het financiële meerjarenbeleidsplan, waarmee de raad van toezicht heeft ingestemd, voor 1 oktober voorafgaande aan het boekjaar, in bij Onze Minister. 2 Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld over de inrichting van het financiële meerjarenbeleidsplan en kunnen aandachtspunten worden vastgesteld voor de accountantscontrole. Paragraaf 5. Overige bepalingen Artikel 4aq 1 Onze Minister stelt regels over de uitoefening van het toezicht op het CBR door Onze Minister en de raad van toezicht. 2 Onze Minister verstrekt het CBR de inlichtingen die het CBR voor zijn taakuitoefening redelijkerwijs nodig heeft. 3 Onze Minister stelt een informatiestatuut vast. Het informatiestatuut bevat inhoudelijke en procedurele voorschriften met betrekking tot de informatie-uitwisseling tussen Onze Minister en het CBR. Artikel 4ar 1 Waar in deze wet dan wel de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen de goedkeuring van Onze Minister is vereist, verleent dan wel onthoudt deze die goedkeuring binnen zes weken na de datum van ontvangst van de aan goedkeuring onderhevige stukken. 2 Met goedkeuring wordt gelijkgesteld het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn zonder dat de goedkeuring is verleend of onthouden. Artikel 4as 1 Waar ingevolge deze wet de goedkeuring dan wel de instemming door de raad van toezicht is vereist, verleent of onthoudt deze die goedkeuring dan wel die instemming binnen zes weken na de datum van ontvangst van de aan goedkeuring dan wel instemming onderhevige stukken. 2 Met goedkeuring dan wel instemming wordt gelijkgesteld het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn zonder dat de goedkeuring dan wel de instemming is verleend of onthouden. Artikel 4at Zolang de begroting niet is goedgekeurd, is de directie gerechtigd gedurende ten hoogste zes maanden van het nieuwe boekjaar voor iedere maand uitgaven te doen ter grootte van 115% van een twaalfde deel van de begroting van het voorafgaande boekjaar. Artikel 4au Indien het CBR een bij of krachtens een andere wet dan deze wet opgedragen taak naar het oordeel van Onze Minister niet langer naar behoren verricht, kan Onze Minister de nodige voorzieningen treffen na overleg met Onze Minister wie het aangaat. Hoofdstuk IBA. Erkenning van bedrijven voor het verrichten van handelingen met betrekking tot de registratie van gegevens in het kentekenregister, de fabricage of registratie van kentekenplaten, de keuring van voertuigen of de inbouw van onderdelen of apparaten in voertuigen Artikel 4aua 1 De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon een basiserkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is gebruik te maken van één of meer erkenningen voor specifieke handelingen die aan die natuurlijke persoon of rechtspersoon wordt of worden verleend. 2 De basiserkenning wordt uitsluitend verleend in samenhang met één of meer erkenningen voor specifieke handelingen. Artikel 4aub 1 De basiserkenning wordt door de Dienst Wegverkeer op aanvraag verleend, indien: a. de rechtspersoon of de onderneming van de natuurlijke persoon is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007 ; b. een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens die niet ouder is dan twee maanden is overgelegd; en c. geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur . 2 Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen. 3 De verklaring omtrent het gedrag die overeenkomstig het eerste lid, onderdeel b, is overgelegd, wordt door de Dienst Wegverkeer vijf jaar bewaard. 4 Met een verklaring omtrent het gedrag wordt gelijkgesteld een verklaring omtrent het gedrag die is afgegeven door een daartoe bevoegde instantie in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, op basis van onderzoekingen of documenten die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat met de nationale onderzoekingen of documenten wordt geboden. 5 Voordat de Dienst Wegverkeer de verlening van de basiserkenning weigert op grond van het eerste lid, onderdeel c, kan hij het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur , om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet vragen. Artikel 4auc 1 Na de afgifte van de basiserkenning overlegt de erkenninghouder eens per drie jaar een verklaring omtrent het gedrag die niet ouder is dan twee maanden. 2 In afwijking van het eerste lid overlegt de erkenninghouder een verklaring omtrent het gedrag die niet ouder is dan twee maanden binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn nadat een bij ministeriële regeling bepaalde gebeurtenis omtrent de onderneming van de erkenninghouder, waaronder in ieder geval de toetreding van een nieuw lid tot het bestuur van een onderneming, zich voordoet. 3 De verklaring omtrent het gedrag die overeenkomstig het eerste lid is overgelegd, wordt door de Dienst Wegverkeer vijf jaar bewaard. Artikel 4aud 1 De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen om te worden gerechtigd tot het verrichten van bij algemene maatregel van bestuur bepaalde handelingen, indien aan die natuurlijke persoon of rechtspersoon een basiserkenning is of tegelijkertijd wordt verleend. Het kan hierbij slechts gaan om handelingen die betrekking hebben op de registratie van gegevens in het kentekenregister, de fabricage of registratie van kentekenplaten, de keuring van voertuigen of de inbouw van onderdelen of apparaten in voertuigen en voor zover de aard van deze handelingen zich niet verzet tegen verrichting ervan door een ander dan de Dienst Wegverkeer. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden eisen en voorwaarden gesteld aan de aanvrager voor het verkrijgen respectievelijk behouden van een erkenning voor specifieke handelingen. De eisen betreffen onder meer de voor het verrichten van de desbetreffende handelingen benodigde apparatuur. 3 Bij ministeriële regeling kan de eis worden gesteld dat ingevolge het tweede lid benodigde apparatuur is goedgekeurd door een door Onze Minister aan te wijzen keuringsinstelling en met de in die regeling vast te stellen periodiciteit is onderzocht door deze keuringsinstelling dan wel door een door deze keuringsinstelling erkende onderzoeksgerechtigde. Bij die ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot de erkenning van onderzoeksgerechtigden. 4 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat middelen die worden gebruikt om de in het derde lid bedoelde apparatuur voor gebruik geschikt te maken zijn gecertificeerd door een door die keuringsinstelling erkende instelling en kunnen regels worden gesteld met betrekking tot die erkenning. 5 Een erkenninghouder verwerkt persoonsgegevens voor zover dat noodzakelijk is om de bij de erkenning behorende taken en bevoegdheden te kunnen verrichten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen over de verwerking nadere regels worden gesteld. Artikel 4aue 1 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat handelingen in het kader van een erkenning voor specifieke handelingen met betrekking tot de keuring of inbouw van onderdelen of apparaten in voertuigen alleen worden verricht door natuurlijke personen die daartoe bevoegd zijn. 2 De Dienst Wegverkeer kan bij besluit aan een natuurlijke persoon een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid verlenen. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden eisen en voorwaarden gesteld voor het verkrijgen respectievelijk behouden van een bevoegdheid als bedoeld in het tweede lid. Artikel 4auf 1 Een bij de Dienst Wegverkeer in te dienen aanvraag tot verlening van een basiserkenning, een erkenning voor specifieke handelingen of een bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue wordt ingediend op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze. 2 De kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de aanvraag en in verband met het door de Dienst Wegverkeer verrichten van taken en handelingen en het nemen van besluiten als bedoeld in artikel 4b, eerste lid, onderdelen j en k , ten aanzien van erkenningen en bevoegdheden worden door de Dienst Wegverkeer vastgesteld en komen ten laste van de aanvrager onderscheidenlijk erkenninghouder of bevoegde persoon. Artikel 4aug 1 Met het toezicht op de naleving van de uit de basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue voortvloeiende verplichtingen en van de aan de basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue verbonden eisen en voorwaarden zijn belast de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. 2 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. Artikel 4auh 1 De Dienst Wegverkeer trekt een basiserkenning in: a. indien de erkenninghouder daarom verzoekt; b. indien de gegevens die met het oog op de verkrijging van een basiserkenning zijn verstrekt, zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; c. indien de erkenninghouder geen verklaring omtrent het gedrag overlegt overeenkomstig artikel 4auc ; d. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur ; of e. indien de erkenninghouder geen erkenning voor specifieke handelingen meer heeft. 2 Voordat de Dienst Wegverkeer toepassing geeft aan het eerste lid, aanhef en onderdeel d, kan hij het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur , om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet vragen. 3 Een erkenning voor specifieke handelingen vervalt indien de basiserkenning is ingetrokken. 4 Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, is van overeenkomstige toepassing op erkenningen voor specifieke handelingen. 5 De Dienst Wegverkeer trekt een bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue in indien: a. de degene aan wie de bevoegdheid is verleend daarom verzoekt; of b. de gegevens die met het oog op de verkrijging van de bevoegdheid zijn verstrekt, zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest. 6 De Dienst Wegverkeer kan een basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue intrekken of wijzigen indien de erkenninghouder of bevoegde persoon niet of niet meer voldoet aan de eisen voor de erkenning of bevoegdheid of aan de erkenning of bevoegdheid verbonden voorwaarden of uit de erkenning of bevoegdheid voortvloeiende verplichtingen niet nakomt of in strijd daarmee handelt. 7 De Dienst Wegverkeer kan voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, aanhef en onderdelen c en d, of het zesde lid, een basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue schorsen voor een door hem daarbij vast te stellen termijn van ten hoogste twaalf weken. Indien een basiserkenning wordt geschorst, worden de erkenningen voor specifieke handelingen van de erkenninghouder voor dezelfde termijn geschorst. 8 Bij de intrekking van een basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue kan de Dienst Wegverkeer bepalen dat een wachttijd geldt voor het aanvragen van een basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid van ten hoogste 30 maanden. Artikel 4aui Het is een ieder aan wie niet een basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue is verleend, verboden zich op zodanige wijze te gedragen, uit te laten of voor te doen, dat daardoor de indruk kan worden gewekt, dat een zodanige erkenning of bevoegdheid aan hem is verleend. Hoofdstuk IC. Toezicht op keuringsinstellingen en onderzoeksgerechtigden Artikel 4av 1 Keuringsinstellingen, aangewezen ingevolge de artikelen 4aud, derde en vierde lid , en 71a en de ingevolge deze artikelen erkende onderzoeksgerechtigden en instellingen, verstrekken desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen die deze ten behoeve van zijn taakuitoefening nodig oordeelt. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze noodzakelijk is. 2 Onze Minister kan aan de in het eerste lid bedoelde keuringsinstellingen, onderzoeksgerechtigden en instellingen aanwijzingen van algemene aard geven met betrekking tot de uitvoering van de taak waarvoor zij zijn aangewezen. 3 Onze Minister kan tarieven vaststellen die de in het eerste lid bedoelde keuringsinstellingen, onderzoeksgerechtigden en instellingen ten hoogste mogen berekenen voor de door hen verrichte werkzaamheden in het kader van de uitvoering van de taak waarvoor zij zijn aangewezen. Daarbij kunnen voor verschillende werkzaamheden verschillende tarieven worden vastgesteld. 4 Indien een keuringsinstelling als bedoeld in het eerste lid naar het oordeel van Onze Minister haar taak verwaarloost, kan Onze Minister de aanwijzing intrekken. 5 Over de uitoefening van het toezicht op keuringsinstellingen, onderzoeksgerechtigden en instellingen als bedoeld in het eerste lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld. Hoofdstuk II. Verkeersgedrag § 1. Gedragsregels Lees het artikel op wetten.overheid.nl Wegenverkeerswet 1994, artikel 110a1 Bij algemene maatregel van bestuur worden eisen vastgesteld met betrekking tot motorrijtuigen waarmee: a. rijonderricht in de zin van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt gegeven; b. in het kader van een door of vanwege de overheid ingesteld onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid een rijproef wordt afgelegd. 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels ter uitvoering van het eerste lid worden vastgesteld. Lees het artikel op wetten.overheid.nl Wegenverkeerswet 1994, artikel 1311 Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid , is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot: a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of b. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen. 2 Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt: a. in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid , de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde of zevende lid , bedoelde besluit van kracht wordt; b. indien de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene overeenkomstig onderdeel a wordt geschorst, en diens rijbewijs niet overeenkomstig artikel 130, tweede lid , is ingevorderd, bepaald dat betrokkene zijn rijbewijs dient in te leveren bij het CBR; c. indien de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene niet overeenkomstig onderdeel a, wordt geschorst, doch diens rijbewijs wel overeenkomstig artikel 130, tweede lid , is ingevorderd, bepaald dat het rijbewijs onverwijld aan betrokkene wordt teruggegeven. 3 Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid. 4 Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is. Lees het artikel op wetten.overheid.nl

Waar dit bij hoort

Dit begrip komt aan bod in Verantwoorde verkeersdeelname en milieubewust rijden, hoofdstuk 6 van de gratis theoriecursus.

Andere begrippen

Ook een rijschool nodig?

Dit begrip hoort bij de theorie. Die leer je hier gratis, voor de rijlessen heb je een rijschool nodig. Op Ribba vergelijk je rijscholen op het slagingspercentage van het CBR, het prijsniveau en de beoordelingen van eerdere leerlingen.

Rijscholen vergelijken