Stoplicht

stoplicht in het verkeer

Een stoplicht regelt met rood, geel en groen wie stopt en wie mag door. Kijk altijd welk licht voor jouw rijstrook, rijrichting en voertuigcategorie geldt.

Stoplichten sturen de volgorde op kruispunten, oversteekplaatsen en soms per rijstrook. Ronde lichten gelden vaak voor meerdere richtingen tegelijk. Pijlen gelden alleen voor die ene rijrichting. Er zijn aparte lichten voor voetgangers en fietsers, en op sommige plekken voor tram of bus. Bestuurders zijn alle weggebruikers behalve voetgangers: dus ook ruiters en geleiders van rij- of trekdieren, fietsers, brom- en snorfietsers, bestuurders van gehandicaptenvoertuigen en bestuurders van motorvoertuigen. Kijk dus niet alleen of ergens groen brandt, maar of het juiste licht voor jou brandt.

De kleuren hebben vaste betekenis. Rood is stoppen. Geel is ook stoppen, behalve als je zo dicht genaderd bent dat veilig stoppen redelijkerwijs niet meer kan; rijd dan door en maak het kruispunt vlot vrij. Groen betekent dat je mag rijden, maar het geeft geen voorrang. Je blijft controleren of het daadwerkelijk vrij is. Je stopt voor de stopstreep. Is er een fietsopstelvak, dan stopt gemotoriseerd verkeer bij de achterste stopstreep zodat het vak vrij blijft. Ontbreekt een stopstreep, dan stop je vóór het licht of vóór het kruisingsvlak. Houd oversteekplaatsen en opstelvakken altijd vrij.

Let op het verschil tussen rond groen en een groene pijl. Brandt een groene pijl voor jouw richting, dan is die beweging normaal gesproken conflictvrij en mag je die afslag volgen. Brandt rond groen terwijl jij afslaat, dan verleen je voorrang aan bestuurders die op dezelfde weg rechtdoor gaan. Je laat ook overstekende voetgangers, fietsers en brom- of snorfietsers voorgaan die jouw pad kruisen bij het afslaan. Een bromfiets is geen motorvoertuig, maar de bromfietser is wél bestuurder en dus mede-partij in deze voorrangssituaties.

Knipperend geel betekent dat de lichten het verkeer niet regelen. Je rijdt voorzichtig en volgt borden, markeringen (zoals haaientanden) en de algemene voorrangsregels. Rood knipperlicht bij een overweg of brug betekent altijd stoppen en wachten tot het sein is beëindigd. Staat er file, rijd een kruispunt of overweg alleen op als je het ook weer kunt verlaten.

Aanwijzingen van een verkeersregelaar of opsporingsambtenaar gaan voor op het stoplicht. Werken de lichten normaal, dan gaan ze voor op borden en markeringen. Er zijn ook bijzondere lichten die alleen gelden voor een bepaalde categorie, zoals tramseinen. Die negeer je als je daar niet toe behoort. Een gehandicaptenvoertuig volgt het licht van de plek waar hij rijdt: op de rijbaan het voertuigenlicht, op het fietspad het fietslicht, op het trottoir het voetgangerslicht.

Wat je moet onthouden

  • Rood: stoppen voor de stopstreep; ontbreekt die, dan vóór het licht of het kruisingsvlak.
  • Geel: stoppen, behalve als je zo dicht genaderd bent dat veilig stoppen niet meer kan; in dat geval rijd je door en maak je het kruispunt vlot vrij.
  • Groen: je mag rijden, maar je hebt geen voorrang; blijf controleren op verkeer en overstekers.
  • Volg altijd het licht dat hoort bij jouw rijstrook en rijrichting; pijlen gelden alléén voor die richting.
  • Groene pijl bij afslaan: je mag afslaan; doorgaans conflictvrij, maar let op achterblijvers op de oversteek.
  • Rond groen bij afslaan: verleen voorrang aan rechtdoorgaande bestuurders op dezelfde weg en aan overstekende voetgangers, fietsers en brom- of snorfietsers die jouw pad kruisen.
  • Houd fietsopstelvakken en oversteekplaatsen vrij; stop met motorvoertuigen bij de achterste stopstreep.
  • Knipperend geel of storing: de lichten regelen niet; volg borden, markeringen en algemene voorrangsregels.
  • Rood knipperlicht bij overwegen en bruggen: altijd stoppen tot het sein is beëindigd.
  • Aanwijzingen van een verkeersregelaar gaan voor op het stoplicht; stoplichten gaan voor op borden en markeringen.
  • Gehandicaptenvoertuigen volgen het licht van de plek waar zij rijden (rijbaan, fietspad of trottoir).

Misverstanden

  • Denken dat ‘groen’ voorrang betekent. Groen is toestemming om te rijden, geen voorrang.
  • Bij geel gas geven ‘want het is nog geen rood’. Geel is stoppen, behalve als veilig stoppen niet meer kan.
  • Verkeerd licht volgen: een pijl negeren of een voetgangers- of fietslicht gebruiken terwijl je op de rijbaan rijdt.
  • Aannemen dat een bestuurder alleen iemand is die een motorvoertuig bedient. Bestuurders zijn alle weggebruikers behalve voetgangers, dus ook ruiters, geleiders, fietsers en brom- of snorfietsers.
  • Denken dat je bij een groene pijl niet meer op overstekers hoeft te letten. De situatie is meestal conflictvrij, maar je blijft controleren en zo nodig stoppen.
  • Het fietsopstelvak met een auto inrijden bij rood of geel; dit vak moet vrij blijven voor fietsers.
  • Een knipperend geel licht zien als ‘ik heb overal voorrang’. Je volgt dan juist borden, markeringen en de algemene voorrangsregels.
  • Rood knipperlicht bij een overweg negeren ‘omdat er niets aankomt’. Rood knipperlicht betekent altijd stoppen.

Niet verwarren met

  • verkeerslicht Hier bedoelen we specifiek het driekleurige verkeerslicht met rood, oranje en groen bij kruispunten, oversteken of rijstroken.

Andere begrippen

Ook een rijschool nodig?

Dit begrip hoort bij de theorie. Die leer je hier gratis, voor de rijlessen heb je een rijschool nodig. Op Ribba vergelijk je rijscholen op het slagingspercentage van het CBR, het prijsniveau en de beoordelingen van eerdere leerlingen.

Rijscholen vergelijken