<!-- Machine-leesbare versie van https://ribba.nl/gratis-theorie-leren/wetgeving -->

> Je hebt een geldig, leesbaar rijbewijs nodig dat past bij het voertuig, en je moet bij controle je documenten tonen en meewerken aan onderzoeken. In bepaalde gevallen kan je rijbewijs direct worden ingevorderd en gelden er duidelijke regels over kosten, identificatie en teruggave. Onderdeel 7 van 11 van de gratis theoriecursus voor het CBR-examen auto, met de wetsartikelen erbij.

Hoofdstuk 7 van 11

# Wetgeving

![Wetgeving: een Nederlandse verkeerssituatie vanuit de bestuurdersstoel](/gratis-theorie-leren/wetgeving.webp?v=cbf3d8e9)

Je hebt een geldig, leesbaar rijbewijs nodig dat past bij het voertuig, en je moet bij controle je documenten tonen en meewerken aan onderzoeken. In bepaalde gevallen kan je rijbewijs direct worden ingevorderd en gelden er duidelijke regels over kosten, identificatie en teruggave.

**Waar het CBR naar vraagt:** De algemene voorschriften uit de verkeerswetgeving en documenten die te maken hebben met het gebruik van de auto.

Niveau K. Je benoemt of herkent een feit of regel. Bijvoorbeeld: wat betekent dit bord?

## Wat valt onder de algemene voorschriften en documenten

De wet regelt dat je bevoegd en geschikt bent om auto te rijden, dat je bij controle je documenten toont en meewerkt aan onderzoek, en dat de politie je rijbewijs in bepaalde situaties direct kan innemen.

De regels over rijden en de documenten die daarbij horen staan in de Wegenverkeerswet. Daar lees je wanneer je een rijbewijs moet hebben. Ook wat erop staat en wat je bij een controle toont.

Ook lees je er wanneer en hoe de politie onderzoek mag doen naar alcohol en drugs. En wanneer de politie je rijbewijs direct kan innemen.

Je rijdt als 17-jarige in een woonstraat met je begeleider. Een agent vordert inzage van je documenten. Je geeft rijbewijs en begeleiderspas af, want die horen bij de voorgeschreven bewijzen.

Wat vaak door elkaar loopt: een gehandicaptenparkeerkaart is geen ontheffing. Die kaart toon je alleen als zo’n voorschrift geldt. Met een aanhangwagen horen de aangewezen delen van het [kentekenbewijs](/begrippen/kentekenbewijs) erbij.

Je rijdt met een buitenlands rijbewijs en hebt ook een internationaal rijbewijs. Bij controle toon je beide. Dat moet, want het internationale bewijs staat niet op zichzelf.

Bron: **Wegenverkeerswet 1994, artikel 107**1 Aan de bestuurder van een motorrijtuig op de weg dient door de daartoe bevoegde autoriteit een rijbewijs te zijn afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie waartoe dat motorrijtuig behoort. 2 Het rijbewijs dient: a. te voldoen aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen inzake inrichting, uitvoering en invulling, b. zijn geldigheid niet te hebben verloren, en c. behoorlijk leesbaar te zijn. 3 Op het rijbewijs wordt, indien de aanvrager: a. als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen: 1°. het in de basisregistratie opgenomen burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer , vermeld op de bij ministeriële regeling vastgestelde wijze, en 2°. overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven regels een publiek identificatiemiddel als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Wet digitale overheid geplaatst, dan wel b. niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen een bij ministeriële regeling vastgestelde aanduiding vermeld. [Lees het artikel op wetten.overheid.nl](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622/2026-07-01#Artikel107) **Wegenverkeerswet 1994, artikel 111**1 Een rijbewijs wordt op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief, slechts afgegeven aan degene die: a. de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde minimumleeftijd heeft bereikt voor het besturen van een motorrijtuig van de categorie waarop de aanvraag tot afgifte van een rijbewijs betrekking heeft en b. blijkens een overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door of vanwege de overheid ingesteld onderzoek dan wel blijkens een eerder aan hem afgegeven rijbewijs of een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs dat voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde eisen, beschikt over een voldoende mate van rijvaardigheid en geschiktheid, dan wel, indien de aanvraag betrekking heeft op afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor het besturen van bromfietsen, over een voldoende mate van rijvaardigheid. 2 De aanvrager van een rijbewijs dient zich zowel bij de indiening van de aanvraag als bij de uitreiking van het rijbewijs te identificeren met een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1°, 2° of 3° van de Wet op de identificatieplicht , een geldig rijbewijs, dan wel een eerder aan hem afgegeven rijbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur. Degene ten aanzien van wie een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt ingesteld, dient zich te identificeren met een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1°, 2° of 3° van de Wet op de identificatieplicht , een geldig rijbewijs dan wel een eerder aan hem afgegeven rijbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur. 3 Aan degene die vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 is, en geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, wordt een rijbewijs slechts afgegeven indien hij rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d en l van die wet . Voor de uitvoering hiervan is de korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 verplicht aan degene die is belast met de afgifte van het rijbewijs, kosteloos de noodzakelijke opgaven en inlichtingen te verstrekken. 4 Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid, onderdeel b . 5 In de gevallen waarin het rijbewijs overeenkomstig artikel 116 wordt afgegeven door de burgemeester dan wel de aanvraag overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 113, eerste lid , wordt ingediend bij de burgemeester, wordt het in het eerste lid bedoelde tarief vastgesteld bij plaatselijke verordening. In de overige gevallen worden het tarief, dat in die gevallen mede betrekking heeft op de door de Dienst Wegverkeer gemaakte kosten met betrekking tot het publieke identificatiemiddel, bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Wet digitale overheid en de wijze van betaling daarvan vastgesteld door de Dienst Wegverkeer. 6 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het bij plaatselijke verordening vastgestelde tarief, bedoeld in het vijfde lid, verminderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 121, eerste lid , een in die maatregel te bepalen bedrag niet te boven gaat. Dat bedrag kan bij ministeriële regeling worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft. 7 Aan de houder van een publiek identificatiemiddel op een rijbewijs dat is uitgegeven voor inwerkingtreding van artikel 27 van de Wet digitale overheid en dat geactiveerd wordt na inwerkingtreding daarvan, wordt een bij ministeriële regeling te bepalen tarief in rekening gebracht. 7 Voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van het onderzoek naar de rijvaardigheid en geschiktheid, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden door het met dat onderzoek belaste gezag persoonsgegevens betreffende iemands rijvaardigheid en gezondheid verwerkt. [Lees het artikel op wetten.overheid.nl](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622/2026-07-01#Artikel111) **Wegenverkeerswet 1994, artikel 160**1 Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat motorrijtuig te doen stilhouden alsmede de volgende bewijzen behoorlijk ter inzage af te geven: a. de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen delen van het kentekenbewijs, dan wel het in artikel 37, eerste lid, onderdeel b , bedoelde bewijs, en, indien met het motorrijtuig een aanhangwagen wordt voortbewogen, de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen delen van het kentekenbewijs van de aanhangwagen, dan wel het in artikel 37, eerste lid, onderdeel b, bedoelde bewijs voor de aanhangwagen; b. het rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem buiten Nederland een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs; c. het ingevolge de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders, bedoeld in artikel 151b, onderdeel a , vereiste getuigschrift; d. indien hem ter zake van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift ontheffing is verleend, de beschikking houdende verlening van ontheffing; e. een gehandicaptenparkeerkaart of een kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten, indien hij ter zake van het besturen van het motorrijtuig op grond van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift dient te beschikken over een dergelijke kaart; f. de begeleiderspas. 2 Indien het kentekenbewijs is afgegeven voor een aanhangwagen die overeenkomstig het krachtens deze wet bepaalde is voorzien van een identificatieplaat, kan aan de vordering worden voldaan binnen een bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde termijn. 3 Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een voertuig, niet zijnde een motorrijtuig, verplicht dat voertuig te doen stilhouden en, indien hem ter zake van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift ontheffing is verleend, de beschikking houdende verlening van ontheffing behoorlijk ter inzage af te geven. 4 De in artikel 159 bedoelde personen zijn bevoegd zich te vergewissen van de naleving van de bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften en zo nodig een voertuig ten aanzien waarvan zij een onderzoek wensen in te stellen, naar een nabij gelegen plaats te voeren of te doen voeren. De bestuurder van het voertuig ten aanzien waarvan dit onderzoek wenselijk wordt geoordeeld, en de bestuurder van het voertuig waardoor een aanhangwagen wordt voortbewogen ten aanzien waarvan zodanig onderzoek wenselijk wordt geoordeeld, zijn verplicht desgevorderd hun tot het onderzoek noodzakelijke medewerking te verlenen en desverlangd de in artikel 159 bedoelde personen in hun voertuig te vervoeren. 5 Op de eerste vordering van een van de in artikel 159, onderdeel a , bedoelde personen zijn de bestuurder van een voertuig, degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen en de begeleider, verplicht hun medewerking te verlenen aan: a. een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid , b. een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, tweede of derde lid , of c. een onderzoek van speeksel, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, vijfde lid , alsmede de aanwijzingen die die persoon in dat kader geeft, op te volgen. 6 De bestuurder van een voertuig of de begeleider, die door een der in artikel 159 bedoelde personen in overtreding wordt bevonden van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, is verplicht de hem door die persoon ter bescherming van bij het verkeer betrokken belangen gegeven bevelen op te volgen. 7 Op eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de begeleider verplicht zijn rijbewijs behoorlijk ter inzage af te geven. [Lees het artikel op wetten.overheid.nl](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622/2026-07-01#Artikel160) **Wegenverkeerswet 1994, artikel 163**1 Bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8 , kan de opsporingsambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, en artikel 8, derde lid, onderdeel a. 2 De bestuurder aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen. 3 De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. 4 In het geval, bedoeld in het derde lid, of indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, of indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed is van een of meer middelen, bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid , of een combinatie van die middelen met alcohol, kan de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, of artikel 8, derde lid, onderdeel b. 5 Indien de bestuurder zijn op grond van het vierde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek. 6 De bestuurder wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts of een verpleegkundige zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is. 7 Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan hem met toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, door een arts of een verpleegkundige de in het zesde lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen, tenzij aannemelijk is dat dit bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het vijfde lid worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte aan wie een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd. 8 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de wijze van uitvoering van artikel 160, vijfde lid , en van dit artikel. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Justitie en Veiligheid worden in de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld. 9 Het eerste tot en met achtste lid is van overeenkomstige toepassing op de begeleider. [Lees het artikel op wetten.overheid.nl](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622/2026-07-01#Artikel163) **Wegenverkeerswet 1994, artikel 164**1 Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdelen a en b , bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, tegen wie door een van die personen proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem daar een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs. 2 De in het eerste lid bedoelde vordering wordt gedaan in geval van overtreding van: a. artikel 8 , indien bij een onderzoek als bedoeld in het tweede lid, van die bepaling blijkt of, bij ontbreken van een dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van de bestuurder hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed; b. artikel 8 , indien bij een onderzoek als bedoeld in het derde of vierde lid, aanhef en onderdeel b, juncto het derde lid, van die bepaling blijkt of, bij het ontbreken van een dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 350 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van de bestuurder hoger blijkt te zijn dan 0,8 milligram alcohol per milliliter bloed; c. artikel 163, tweede, zesde of zevende lid ; d. overschrijding van een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid met vijftig kilometer of meer, door een bestuurder van een motorrijtuig anders dan een bromfiets, in geval van staandehouding van de bestuurder; e. overschrijding van een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid met dertig kilometer of meer door een bestuurder van een bromfiets, in geval van staandehouding van de bestuurder. 3 De in het eerste lid bedoelde vordering kan worden gedaan indien door de overtreding de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht. 4 De ingevorderde bewijzen worden tegelijk met het proces-verbaal onverwijld opgezonden aan de officier van justitie. In de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b, d, of e, of indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in het tweede of derde lid zal begaan, is de officier van justitie bevoegd de ingevorderde bewijzen onder zich te houden totdat de strafbeschikking onherroepelijk is geworden, de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die strafbeschikking of uitspraak de bestuurder de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen onvoorwaardelijk is ontzegd, tot het tijdstip waarop de ontzegging is verstreken. 5 De officier van justitie is bevoegd de toepassing van de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid te schorsen indien: a. de geldigheid van de bewijzen ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a , voor alle categorieën van motorrijtuigen waarvoor zij zijn afgegeven, wordt geschorst; b. de bewijzen ingevolge artikel 124 voor alle categorieën van motorrijtuigen waarvoor zij zijn afgegeven, ongeldig worden verklaard voor een bepaald deel van de geldigheidsduur; c. een rechterlijke uitspraak of strafbeschikking waarbij de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. De schorsing duurt voort zolang de bewijzen ingevolge de onderdelen a, b en c ongeldig zijn. 6 Indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij de ingevorderde bewijzen onverwijld terug aan de houder. Teruggave vindt eveneens plaats, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de houder in geval van veroordeling door de rechter dan wel uitvaardiging van een strafbeschikking geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur dan de tijd gedurende welke de bewijzen zijn ingevorderd of ingehouden geweest. Teruggave vindt ten slotte plaats indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen, dan wel binnen die termijn geen strafbeschikking is uitgevaardigd. Het rijbewijs wordt niet aan de houder teruggegeven, indien het een rijbewijs betreft waarvan ingevolge een der artikelen 130, tweede lid , of 164 de overgifte is gevorderd, waarvan ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering is gevorderd of ten aanzien waarvan ingevolge een der artikelen 120, derde lid , 123b, vierde lid , 124, vierde lid , 131, tweede lid, onderdeel b , 132, vijfde lid , 134, vierde lid , of 180, vierde lid , een verplichting tot inlevering bestaat. Het rijbewijs wordt in dat geval doorgeleid naar degene bij wie de houder dat rijbewijs had dienen in te leveren. 7 In geval van toepassing van het eerste lid kan het motorrijtuig, voor zover geen andere bestuurder beschikbaar is of de bestuurder niet aanstonds voldoet aan de vordering, onder toezicht of, voor zover degene die het proces-verbaal opmaakt zulks nodig oordeelt, in bewaring worden gesteld. In het laatste geval zijn de artikelen 170, tweede lid, tweede en derde volzin, vierde en vijfde lid , 171 , 172 en 173, eerste lid, van deze wet en de artikelen 4:116 , 4:118 tot en met 4:124 , 5:10 , 5:25, eerste en zesde lid , 5:29, tweede en derde lid , 5:30, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. Teruggave van het motorrijtuig vindt slechts plaats indien aan de vordering is voldaan of indien de officier van justitie zich niet langer tegen de teruggave verzet. 8 In geval van toepassing van het eerste of vierde lid kan elke belanghebbende bij klaagschrift daartegen opkomen. Zolang in de zaak nog geen vervolging is ingesteld, wordt het klaagschrift ingediend ter griffie van de rechtbank in het arrondissement waar het in het eerste lid bedoelde feit werd begaan, en anders ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de vervolging plaatsvindt of, in geval van verzet tegen een uitgevaardigde strafbeschikking, zou worden voortgezet, dan wel het laatst plaatsvond. [Lees het artikel op wetten.overheid.nl](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622/2026-07-01#Artikel164)

## Je rijbewijs: hebben en houden

Je hebt een geldig, goed leesbaar rijbewijs nodig voor de voertuigcategorie, dat aan de ministeriële eisen voldoet.

Op een parkeerplaats bij een sporthal wil je een [motorfiets](/begrippen/motorfiets) proberen. Jij stapt niet op. In plaats daarvan ga je met je eigen auto weg. Dat doe je omdat je geen rijbewijs hebt voor die motorcategorie; het rijbewijs moet bij het voertuig passen.

Regelmatig wordt categorie verward met voertuigtype. Verlopen of onleesbaar rijbewijs voldoet niet. Je rijdt alleen met een rijbewijs voor de categorie van het voertuig. Je rijbewijs moet aan ministeriële eisen voldoen, geldig zijn en goed leesbaar. Op je rijbewijs kan je burgerservicenummer staan als je in de basisregistratie personen staat. Er kan ook een publiek identificatiemiddel op staan volgens de regels.

Verwarring ontstaat tussen categorie en voertuigtype; je gokt dat jouw categorie past. Zo werkt het niet. Het moet de categorie zijn van dat voertuig. Een verlopen of onleesbare kaart gebruiken mag niet. Je rijbewijs moet geldig en behoorlijk leesbaar zijn.

Bron: **Wegenverkeerswet 1994, artikel 107**1 Aan de bestuurder van een motorrijtuig op de weg dient door de daartoe bevoegde autoriteit een rijbewijs te zijn afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie waartoe dat motorrijtuig behoort. 2 Het rijbewijs dient: a. te voldoen aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen inzake inrichting, uitvoering en invulling, b. zijn geldigheid niet te hebben verloren, en c. behoorlijk leesbaar te zijn. 3 Op het rijbewijs wordt, indien de aanvrager: a. als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen: 1°. het in de basisregistratie opgenomen burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer , vermeld op de bij ministeriële regeling vastgestelde wijze, en 2°. overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven regels een publiek identificatiemiddel als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Wet digitale overheid geplaatst, dan wel b. niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen een bij ministeriële regeling vastgestelde aanduiding vermeld. [Lees het artikel op wetten.overheid.nl](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622/2026-07-01#Artikel107)

## Wanneer krijg je een rijbewijs

Je krijgt een rijbewijs als je de minimumleeftijd hebt en voldoende [rijvaardigheid](/begrippen/rijvaardigheid) en geschiktheid aantoont volgens de regels.

Je krijgt een rijbewijs op aanvraag en tegen betaling als je de minimumleeftijd voor die categorie haalt. Je toont voldoende rijvaardigheid en geschiktheid met bijvoorbeeld overheidsonderzoek, eerder rijbewijs of buitenlands rijbewijs dat voldoet.

Bij het loket van het gemeentehuis heb je het bromfietsexamen gehaald, maar je verjaardag is morgen. De baliemedewerker vraagt of je wilt aanvragen. Je wacht één dag, dient daarna de aanvraag in en betaalt. Dat doe je omdat afgifte pas kan na de minimumleeftijd en aangetoonde rijvaardigheid.

Zonder aanvraag en betaling krijg je niets; niet elk buitenlands rijbewijs voldoet. Voor bromfiets geldt alleen rijvaardigheid.

Je denkt al gauw dat slagen genoeg is en het rijbewijs vanzelf komt. Dat klopt niet; zonder aanvraag en betaling volgt geen afgifte. Een buitenlands rijbewijs lijkt soms altijd te tellen. Voldoet het niet aan de eisen, dan toon je rijvaardigheid en geschiktheid via overheidsonderzoek. Voor bromfiets toon je alleen rijvaardigheid.

Bron: **Wegenverkeerswet 1994, artikel 111**1 Een rijbewijs wordt op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief, slechts afgegeven aan degene die: a. de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde minimumleeftijd heeft bereikt voor het besturen van een motorrijtuig van de categorie waarop de aanvraag tot afgifte van een rijbewijs betrekking heeft en b. blijkens een overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door of vanwege de overheid ingesteld onderzoek dan wel blijkens een eerder aan hem afgegeven rijbewijs of een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs dat voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde eisen, beschikt over een voldoende mate van rijvaardigheid en geschiktheid, dan wel, indien de aanvraag betrekking heeft op afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor het besturen van bromfietsen, over een voldoende mate van rijvaardigheid. 2 De aanvrager van een rijbewijs dient zich zowel bij de indiening van de aanvraag als bij de uitreiking van het rijbewijs te identificeren met een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1°, 2° of 3° van de Wet op de identificatieplicht , een geldig rijbewijs, dan wel een eerder aan hem afgegeven rijbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur. Degene ten aanzien van wie een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt ingesteld, dient zich te identificeren met een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1°, 2° of 3° van de Wet op de identificatieplicht , een geldig rijbewijs dan wel een eerder aan hem afgegeven rijbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur. 3 Aan degene die vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 is, en geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, wordt een rijbewijs slechts afgegeven indien hij rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d en l van die wet . Voor de uitvoering hiervan is de korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 verplicht aan degene die is belast met de afgifte van het rijbewijs, kosteloos de noodzakelijke opgaven en inlichtingen te verstrekken. 4 Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid, onderdeel b . 5 In de gevallen waarin het rijbewijs overeenkomstig artikel 116 wordt afgegeven door de burgemeester dan wel de aanvraag overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 113, eerste lid , wordt ingediend bij de burgemeester, wordt het in het eerste lid bedoelde tarief vastgesteld bij plaatselijke verordening. In de overige gevallen worden het tarief, dat in die gevallen mede betrekking heeft op de door de Dienst Wegverkeer gemaakte kosten met betrekking tot het publieke identificatiemiddel, bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Wet digitale overheid en de wijze van betaling daarvan vastgesteld door de Dienst Wegverkeer. 6 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het bij plaatselijke verordening vastgestelde tarief, bedoeld in het vijfde lid, verminderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 121, eerste lid , een in die maatregel te bepalen bedrag niet te boven gaat. Dat bedrag kan bij ministeriële regeling worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft. 7 Aan de houder van een publiek identificatiemiddel op een rijbewijs dat is uitgegeven voor inwerkingtreding van artikel 27 van de Wet digitale overheid en dat geactiveerd wordt na inwerkingtreding daarvan, wordt een bij ministeriële regeling te bepalen tarief in rekening gebracht. 7 Voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van het onderzoek naar de rijvaardigheid en geschiktheid, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden door het met dat onderzoek belaste gezag persoonsgegevens betreffende iemands rijvaardigheid en gezondheid verwerkt. [Lees het artikel op wetten.overheid.nl](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622/2026-07-01#Artikel111)

## Identificatie bij aanvraag, uitreiking en onderzoek

Je identificeert je bij de aanvraag, bij het afhalen en bij onderzoek naar je [rijvaardigheid](/begrippen/rijvaardigheid) en geschiktheid met een geldig document of eerder rijbewijs.

Bij de aanvraag en bij de uitreiking moet je je identificeren met een document. Dat mag een identiteitsbewijs zijn volgens de Wet op de identificatieplicht. Een geldig rijbewijs kan ook. Of een eerder rijbewijs dat alleen door tijdsverloop ongeldig is geworden.

Bij onderzoek naar je rijvaardigheid of geschiktheid moet je je op dezelfde manier identificeren.

Aan het loket van het gemeentehuis dien je je aanvraag in. Je toont je identiteitsbewijs, je geldige rijbewijs, of je vorige rijbewijs dat alleen verlopen is, want zo identificeer je je bij aanvraag en uitreiking.

Je verwart soms een verlopen rijbewijs met een anders ongeldig rijbewijs. Dat laatste telt niet. Bij de uitreiking identificeer je je opnieuw, net als bij onderzoek naar rijvaardigheid of geschiktheid.

In de hal van het gemeentehuis haal je je rijbewijs op, toon je alleen je verlopen oude, want dat mag als identificatie bij de uitreiking.

Bron: **Wegenverkeerswet 1994, artikel 111**1 Een rijbewijs wordt op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief, slechts afgegeven aan degene die: a. de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde minimumleeftijd heeft bereikt voor het besturen van een motorrijtuig van de categorie waarop de aanvraag tot afgifte van een rijbewijs betrekking heeft en b. blijkens een overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door of vanwege de overheid ingesteld onderzoek dan wel blijkens een eerder aan hem afgegeven rijbewijs of een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs dat voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde eisen, beschikt over een voldoende mate van rijvaardigheid en geschiktheid, dan wel, indien de aanvraag betrekking heeft op afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor het besturen van bromfietsen, over een voldoende mate van rijvaardigheid. 2 De aanvrager van een rijbewijs dient zich zowel bij de indiening van de aanvraag als bij de uitreiking van het rijbewijs te identificeren met een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1°, 2° of 3° van de Wet op de identificatieplicht , een geldig rijbewijs, dan wel een eerder aan hem afgegeven rijbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur. Degene ten aanzien van wie een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt ingesteld, dient zich te identificeren met een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1°, 2° of 3° van de Wet op de identificatieplicht , een geldig rijbewijs dan wel een eerder aan hem afgegeven rijbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur. 3 Aan degene die vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 is, en geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, wordt een rijbewijs slechts afgegeven indien hij rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d en l van die wet . Voor de uitvoering hiervan is de korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 verplicht aan degene die is belast met de afgifte van het rijbewijs, kosteloos de noodzakelijke opgaven en inlichtingen te verstrekken. 4 Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid, onderdeel b . 5 In de gevallen waarin het rijbewijs overeenkomstig artikel 116 wordt afgegeven door de burgemeester dan wel de aanvraag overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 113, eerste lid , wordt ingediend bij de burgemeester, wordt het in het eerste lid bedoelde tarief vastgesteld bij plaatselijke verordening. In de overige gevallen worden het tarief, dat in die gevallen mede betrekking heeft op de door de Dienst Wegverkeer gemaakte kosten met betrekking tot het publieke identificatiemiddel, bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Wet digitale overheid en de wijze van betaling daarvan vastgesteld door de Dienst Wegverkeer. 6 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het bij plaatselijke verordening vastgestelde tarief, bedoeld in het vijfde lid, verminderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 121, eerste lid , een in die maatregel te bepalen bedrag niet te boven gaat. Dat bedrag kan bij ministeriële regeling worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft. 7 Aan de houder van een publiek identificatiemiddel op een rijbewijs dat is uitgegeven voor inwerkingtreding van artikel 27 van de Wet digitale overheid en dat geactiveerd wordt na inwerkingtreding daarvan, wordt een bij ministeriële regeling te bepalen tarief in rekening gebracht. 7 Voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van het onderzoek naar de rijvaardigheid en geschiktheid, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden door het met dat onderzoek belaste gezag persoonsgegevens betreffende iemands rijvaardigheid en gezondheid verwerkt. [Lees het artikel op wetten.overheid.nl](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622/2026-07-01#Artikel111)

## Aanvraag door niet-EU/EER/Zwitserland-onderdanen

Niet uit EU/EER of Zwitserland? Je krijgt alleen een rijbewijs bij rechtmatig verblijf volgens de Vreemdelingenwet.

Ben je vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en geen onderdaan van de EU, EER of Zwitserland? Je krijgt alleen een rijbewijs als je rechtmatig in Nederland verblijft. Volgens de aangewezen onderdelen van die wet.

Voor de uitvoering levert de korpschef kosteloos de noodzakelijke opgaven en inlichtingen aan de instantie die het rijbewijs afgeeft.

In een gemeenteloket dien je je aanvraag in. Je toont je identiteitsbewijs en je verblijfsdocument. Je doet dit, want zonder rechtmatig verblijf krijg je geen rijbewijs.

Soms haal je een geldig paspoort en rechtmatig verblijf door elkaar. Een paspoort is identificatie, verblijfsrecht is apart. Ook vervangt een buitenlands rijbewijs dat aan de eisen voldoet het verblijfsvereiste niet, het toont alleen [rijvaardigheid](/begrippen/rijvaardigheid).

Voor het gemeenteloket sta je aan de beurt. Je toont je paspoort én je verblijfsdocument. Je doet dit, omdat de instantie alleen afgeeft als je rechtmatig verblijft.

Bron: **Wegenverkeerswet 1994, artikel 111**1 Een rijbewijs wordt op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief, slechts afgegeven aan degene die: a. de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde minimumleeftijd heeft bereikt voor het besturen van een motorrijtuig van de categorie waarop de aanvraag tot afgifte van een rijbewijs betrekking heeft en b. blijkens een overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door of vanwege de overheid ingesteld onderzoek dan wel blijkens een eerder aan hem afgegeven rijbewijs of een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs dat voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde eisen, beschikt over een voldoende mate van rijvaardigheid en geschiktheid, dan wel, indien de aanvraag betrekking heeft op afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor het besturen van bromfietsen, over een voldoende mate van rijvaardigheid. 2 De aanvrager van een rijbewijs dient zich zowel bij de indiening van de aanvraag als bij de uitreiking van het rijbewijs te identificeren met een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1°, 2° of 3° van de Wet op de identificatieplicht , een geldig rijbewijs, dan wel een eerder aan hem afgegeven rijbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur. Degene ten aanzien van wie een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt ingesteld, dient zich te identificeren met een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1°, 2° of 3° van de Wet op de identificatieplicht , een geldig rijbewijs dan wel een eerder aan hem afgegeven rijbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur. 3 Aan degene die vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 is, en geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, wordt een rijbewijs slechts afgegeven indien hij rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d en l van die wet . Voor de uitvoering hiervan is de korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 verplicht aan degene die is belast met de afgifte van het rijbewijs, kosteloos de noodzakelijke opgaven en inlichtingen te verstrekken. 4 Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid, onderdeel b . 5 In de gevallen waarin het rijbewijs overeenkomstig artikel 116 wordt afgegeven door de burgemeester dan wel de aanvraag overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 113, eerste lid , wordt ingediend bij de burgemeester, wordt het in het eerste lid bedoelde tarief vastgesteld bij plaatselijke verordening. In de overige gevallen worden het tarief, dat in die gevallen mede betrekking heeft op de door de Dienst Wegverkeer gemaakte kosten met betrekking tot het publieke identificatiemiddel, bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Wet digitale overheid en de wijze van betaling daarvan vastgesteld door de Dienst Wegverkeer. 6 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het bij plaatselijke verordening vastgestelde tarief, bedoeld in het vijfde lid, verminderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 121, eerste lid , een in die maatregel te bepalen bedrag niet te boven gaat. Dat bedrag kan bij ministeriële regeling worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft. 7 Aan de houder van een publiek identificatiemiddel op een rijbewijs dat is uitgegeven voor inwerkingtreding van artikel 27 van de Wet digitale overheid en dat geactiveerd wordt na inwerkingtreding daarvan, wordt een bij ministeriële regeling te bepalen tarief in rekening gebracht. 7 Voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van het onderzoek naar de rijvaardigheid en geschiktheid, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden door het met dat onderzoek belaste gezag persoonsgegevens betreffende iemands rijvaardigheid en gezondheid verwerkt. [Lees het artikel op wetten.overheid.nl](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622/2026-07-01#Artikel111)

## Kosten en tarief van je rijbewijs

Voor je rijbewijs betaal je een tarief. De gemeente of de Dienst Wegverkeer stelt dat vast, soms met extra regels.

Sommigen denken dat elke gemeente hetzelfde bedrag vraagt of dat altijd de gemeente het tarief vaststelt. Dien je niet bij de gemeente in, dan bepaalt de Dienst Wegverkeer ook de betaalwijze.

Geeft de burgemeester het rijbewijs af, of dien je daar je aanvraag in? Dan stelt de gemeente het tarief vast met een plaatselijke verordening. Anders bepaalt de Dienst Wegverkeer het tarief en de betaalwijze. Je krijgt een rijbewijs na je aanvraag en betaling van het vastgestelde tarief. Een algemene maatregel van bestuur kan een bovengrens voor het gemeentelijke tarief vaststellen. Er kan ook een tarief gelden voor activering van een publiek identificatiemiddel op het rijbewijs.

Stel: je vraagt je rijbewijs aan bij het gemeentehuis. Je betaalt volgens de verordening en voor activering extra, omdat de gemeente hier afgeeft en activering apart kan kosten.

Bron: **Wegenverkeerswet 1994, artikel 111**1 Een rijbewijs wordt op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief, slechts afgegeven aan degene die: a. de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde minimumleeftijd heeft bereikt voor het besturen van een motorrijtuig van de categorie waarop de aanvraag tot afgifte van een rijbewijs betrekking heeft en b. blijkens een overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door of vanwege de overheid ingesteld onderzoek dan wel blijkens een eerder aan hem afgegeven rijbewijs of een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs dat voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde eisen, beschikt over een voldoende mate van rijvaardigheid en geschiktheid, dan wel, indien de aanvraag betrekking heeft op afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor het besturen van bromfietsen, over een voldoende mate van rijvaardigheid. 2 De aanvrager van een rijbewijs dient zich zowel bij de indiening van de aanvraag als bij de uitreiking van het rijbewijs te identificeren met een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1°, 2° of 3° van de Wet op de identificatieplicht , een geldig rijbewijs, dan wel een eerder aan hem afgegeven rijbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur. Degene ten aanzien van wie een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt ingesteld, dient zich te identificeren met een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1°, 2° of 3° van de Wet op de identificatieplicht , een geldig rijbewijs dan wel een eerder aan hem afgegeven rijbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur. 3 Aan degene die vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 is, en geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, wordt een rijbewijs slechts afgegeven indien hij rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met d en l van die wet . Voor de uitvoering hiervan is de korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 verplicht aan degene die is belast met de afgifte van het rijbewijs, kosteloos de noodzakelijke opgaven en inlichtingen te verstrekken. 4 Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid, onderdeel b . 5 In de gevallen waarin het rijbewijs overeenkomstig artikel 116 wordt afgegeven door de burgemeester dan wel de aanvraag overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 113, eerste lid , wordt ingediend bij de burgemeester, wordt het in het eerste lid bedoelde tarief vastgesteld bij plaatselijke verordening. In de overige gevallen worden het tarief, dat in die gevallen mede betrekking heeft op de door de Dienst Wegverkeer gemaakte kosten met betrekking tot het publieke identificatiemiddel, bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Wet digitale overheid en de wijze van betaling daarvan vastgesteld door de Dienst Wegverkeer. 6 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het bij plaatselijke verordening vastgestelde tarief, bedoeld in het vijfde lid, verminderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 121, eerste lid , een in die maatregel te bepalen bedrag niet te boven gaat. Dat bedrag kan bij ministeriële regeling worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft. 7 Aan de houder van een publiek identificatiemiddel op een rijbewijs dat is uitgegeven voor inwerkingtreding van artikel 27 van de Wet digitale overheid en dat geactiveerd wordt na inwerkingtreding daarvan, wordt een bij ministeriële regeling te bepalen tarief in rekening gebracht. 7 Voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van het onderzoek naar de rijvaardigheid en geschiktheid, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden door het met dat onderzoek belaste gezag persoonsgegevens betreffende iemands rijvaardigheid en gezondheid verwerkt. [Lees het artikel op wetten.overheid.nl](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622/2026-07-01#Artikel111)

## Bij een politiecontrole: stoppen en tonen

Op eerste vordering stop je en geef je rijbewijs en andere gevraagde bewijzen ter inzage.

Op eerste vordering van bevoegde personen stop je je [motorrijtuig](/begrippen/motorrijtuig). Je geeft je rijbewijs en de aangewezen delen van het [kentekenbewijs](/begrippen/kentekenbewijs) ter inzage. Rijd je met een aanhangwagen, dan geldt dit ook voor die aanhangwagen.

Heb je voor wat je doet een ontheffing, gehandicaptenparkeerkaart of begeleiderspas nodig? Dan laat je die beschikking of kaart zien.

Is het kentekenbewijs afgegeven voor een aanhangwagen met identificatieplaat? Dan mag je aan de vordering voldoen binnen de vastgestelde termijn.

Bevoegde personen mogen controleren of jij de regels naleeft. Zo nodig laten zij het voertuig naar een nabijgelegen plaats brengen. Jij verleent de noodzakelijke medewerking. Op verzoek vervoer je hen in je voertuig.

Ben je begeleider, dan geef je op eerste vordering je rijbewijs ter inzage.

Bron: **Wegenverkeerswet 1994, artikel 160**1 Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat motorrijtuig te doen stilhouden alsmede de volgende bewijzen behoorlijk ter inzage af te geven: a. de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen delen van het kentekenbewijs, dan wel het in artikel 37, eerste lid, onderdeel b , bedoelde bewijs, en, indien met het motorrijtuig een aanhangwagen wordt voortbewogen, de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen delen van het kentekenbewijs van de aanhangwagen, dan wel het in artikel 37, eerste lid, onderdeel b, bedoelde bewijs voor de aanhangwagen; b. het rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem buiten Nederland een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs; c. het ingevolge de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders, bedoeld in artikel 151b, onderdeel a , vereiste getuigschrift; d. indien hem ter zake van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift ontheffing is verleend, de beschikking houdende verlening van ontheffing; e. een gehandicaptenparkeerkaart of een kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten, indien hij ter zake van het besturen van het motorrijtuig op grond van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift dient te beschikken over een dergelijke kaart; f. de begeleiderspas. 2 Indien het kentekenbewijs is afgegeven voor een aanhangwagen die overeenkomstig het krachtens deze wet bepaalde is voorzien van een identificatieplaat, kan aan de vordering worden voldaan binnen een bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde termijn. 3 Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een voertuig, niet zijnde een motorrijtuig, verplicht dat voertuig te doen stilhouden en, indien hem ter zake van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift ontheffing is verleend, de beschikking houdende verlening van ontheffing behoorlijk ter inzage af te geven. 4 De in artikel 159 bedoelde personen zijn bevoegd zich te vergewissen van de naleving van de bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften en zo nodig een voertuig ten aanzien waarvan zij een onderzoek wensen in te stellen, naar een nabij gelegen plaats te voeren of te doen voeren. De bestuurder van het voertuig ten aanzien waarvan dit onderzoek wenselijk wordt geoordeeld, en de bestuurder van het voertuig waardoor een aanhangwagen wordt voortbewogen ten aanzien waarvan zodanig onderzoek wenselijk wordt geoordeeld, zijn verplicht desgevorderd hun tot het onderzoek noodzakelijke medewerking te verlenen en desverlangd de in artikel 159 bedoelde personen in hun voertuig te vervoeren. 5 Op de eerste vordering van een van de in artikel 159, onderdeel a , bedoelde personen zijn de bestuurder van een voertuig, degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen en de begeleider, verplicht hun medewerking te verlenen aan: a. een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid , b. een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, tweede of derde lid , of c. een onderzoek van speeksel, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, vijfde lid , alsmede de aanwijzingen die die persoon in dat kader geeft, op te volgen. 6 De bestuurder van een voertuig of de begeleider, die door een der in artikel 159 bedoelde personen in overtreding wordt bevonden van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, is verplicht de hem door die persoon ter bescherming van bij het verkeer betrokken belangen gegeven bevelen op te volgen. 7 Op eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de begeleider verplicht zijn rijbewijs behoorlijk ter inzage af te geven. [Lees het artikel op wetten.overheid.nl](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622/2026-07-01#Artikel160)

## Eerste alcohol- en drugsonderzoeken op straat

Je werkt mee aan korte straattesten van psychomotoriek, ogen en spraak, en aan een [blaastest](/begrippen/blaastest) of [speekseltest](/begrippen/speekseltest). Je volgt de aanwijzingen.

Op de eerste vordering werk je mee aan onderzoek van psychomotoriek, ogen en spraak. Dit is bedoeld om een mogelijke overtreding te beoordelen.

Je werkt mee aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht en aan een onderzoek van speeksel. Dit is om te controleren op een mogelijke overtreding. Je volgt de aanwijzingen tijdens het hele onderzoek.

Langs een uitvalsweg houdt een agent je staande en vordert meewerken aan onderzoek van psychomotoriek, ogen en spraak. Daarna volgt een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht en speeksel. Je stopt en werkt mee. Je blaast en levert speeksel, omdat je meewerkt en de aanwijzingen blijft volgen.

Sommigen denken dat alleen blazen moet; je werkt ook mee aan speeksel en psychomotoriek.

Bron: **Wegenverkeerswet 1994, artikel 160**1 Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat motorrijtuig te doen stilhouden alsmede de volgende bewijzen behoorlijk ter inzage af te geven: a. de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen delen van het kentekenbewijs, dan wel het in artikel 37, eerste lid, onderdeel b , bedoelde bewijs, en, indien met het motorrijtuig een aanhangwagen wordt voortbewogen, de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen delen van het kentekenbewijs van de aanhangwagen, dan wel het in artikel 37, eerste lid, onderdeel b, bedoelde bewijs voor de aanhangwagen; b. het rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem buiten Nederland een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs; c. het ingevolge de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders, bedoeld in artikel 151b, onderdeel a , vereiste getuigschrift; d. indien hem ter zake van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift ontheffing is verleend, de beschikking houdende verlening van ontheffing; e. een gehandicaptenparkeerkaart of een kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten, indien hij ter zake van het besturen van het motorrijtuig op grond van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift dient te beschikken over een dergelijke kaart; f. de begeleiderspas. 2 Indien het kentekenbewijs is afgegeven voor een aanhangwagen die overeenkomstig het krachtens deze wet bepaalde is voorzien van een identificatieplaat, kan aan de vordering worden voldaan binnen een bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde termijn. 3 Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een voertuig, niet zijnde een motorrijtuig, verplicht dat voertuig te doen stilhouden en, indien hem ter zake van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift ontheffing is verleend, de beschikking houdende verlening van ontheffing behoorlijk ter inzage af te geven. 4 De in artikel 159 bedoelde personen zijn bevoegd zich te vergewissen van de naleving van de bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften en zo nodig een voertuig ten aanzien waarvan zij een onderzoek wensen in te stellen, naar een nabij gelegen plaats te voeren of te doen voeren. De bestuurder van het voertuig ten aanzien waarvan dit onderzoek wenselijk wordt geoordeeld, en de bestuurder van het voertuig waardoor een aanhangwagen wordt voortbewogen ten aanzien waarvan zodanig onderzoek wenselijk wordt geoordeeld, zijn verplicht desgevorderd hun tot het onderzoek noodzakelijke medewerking te verlenen en desverlangd de in artikel 159 bedoelde personen in hun voertuig te vervoeren. 5 Op de eerste vordering van een van de in artikel 159, onderdeel a , bedoelde personen zijn de bestuurder van een voertuig, degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen en de begeleider, verplicht hun medewerking te verlenen aan: a. een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid , b. een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, tweede of derde lid , of c. een onderzoek van speeksel, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, vijfde lid , alsmede de aanwijzingen die die persoon in dat kader geeft, op te volgen. 6 De bestuurder van een voertuig of de begeleider, die door een der in artikel 159 bedoelde personen in overtreding wordt bevonden van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, is verplicht de hem door die persoon ter bescherming van bij het verkeer betrokken belangen gegeven bevelen op te volgen. 7 Op eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de begeleider verplicht zijn rijbewijs behoorlijk ter inzage af te geven. [Lees het artikel op wetten.overheid.nl](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622/2026-07-01#Artikel160)

## Ademanalyse en bloedonderzoek: jouw plichten

Bij verdenking werk je mee aan een [ademanalyse](/begrippen/ademanalyse) en, als ze een bloedonderzoek vragen of bevelen, ook daaraan, met uitzonderingen bij bijzondere medische redenen.

Is er verdenking, dan kan een opsporingsambtenaar je bevelen mee te werken aan een ademanalyse. Je blaast in het apparaat en volgt de aanwijzingen.

Is er een medische reden, geen voltooid ademonderzoek, of een vermoeden van middelengebruik? Dan kunnen ze je toestemming vragen voor een bloedonderzoek.

Geef je geen toestemming, dan kan een officier of hulpofficier je bevelen mee te werken aan een bloedonderzoek. Een arts of verpleegkundige neemt dan zoveel bloed af als nodig is.

Kun je je wil niet kenbaar maken? Dan kan de aangewezen functionaris toestemming geven voor bloedafname, tenzij dat om bijzondere medische redenen onwenselijk is. Ze onderzoeken het bloed pas nadat jij de kans hebt gehad toestemming te geven. Weiger je, dan vernietigen ze het monster.

Er bestaan nadere regels voor de praktische uitvoering. Dit alles geldt ook voor de begeleider.

Na uitgaan op een uitvalsweg krijg je een bevel van een opsporingsambtenaar. Je blaast, want verdenking verplicht tot ademanalyse.

Bron: **Wegenverkeerswet 1994, artikel 163**1 Bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8 , kan de opsporingsambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, en artikel 8, derde lid, onderdeel a. 2 De bestuurder aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen. 3 De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. 4 In het geval, bedoeld in het derde lid, of indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, of indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed is van een of meer middelen, bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid , of een combinatie van die middelen met alcohol, kan de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, of artikel 8, derde lid, onderdeel b. 5 Indien de bestuurder zijn op grond van het vierde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek. 6 De bestuurder wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts of een verpleegkundige zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is. 7 Indien de verdachte niet in staat is zijn wil kenbaar te maken, kan hem met toestemming van de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, door een arts of een verpleegkundige de in het zesde lid bedoelde hoeveelheid bloed worden afgenomen, tenzij aannemelijk is dat dit bij hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een onderzoek van het bloed vindt niet plaats dan nadat de verdachte in de gelegenheid is gesteld zijn toestemming daartoe te geven. Zo nodig kan hem overeenkomstig het vijfde lid worden bevolen zijn medewerking te verlenen. De verdachte aan wie een zodanig bevel is gegeven, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de verdachte weigert zijn medewerking te verlenen, wordt het bloedmonster vernietigd. 8 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de wijze van uitvoering van artikel 160, vijfde lid , en van dit artikel. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Justitie en Veiligheid worden in de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld. 9 Het eerste tot en met achtste lid is van overeenkomstige toepassing op de begeleider. [Lees het artikel op wetten.overheid.nl](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622/2026-07-01#Artikel163)

## Directe invordering van je rijbewijs: wanneer kan dat

Je geeft je rijbewijs op eerste vordering af bij proces-verbaal in de wettelijk genoemde gevallen: hoge alcoholuitslag, weigering van onderzoek, forse snelheidsovertreding of ernstige gevaarzetting.

Maakt de politie proces-verbaal op voor jouw overtreding? Dan moet je je rijbewijs op eerste vordering afgeven.

Die vordering geldt in drie situaties: bij een in de wet omschreven hoge adem- of bloedalcoholuitslag, bij weigeren of niet meewerken aan de genoemde onderzoeken, en bij forse snelheidsovertredingen door bestuurders. Bestuurder is wie het voertuig bestuurt. 50 km/u of meer boven de [maximumsnelheid](/begrippen/maximumsnelheid) voor bestuurders van motorrijtuigen anders dan een bromfiets. 30 km/u of meer boven de maximumsnelheid voor bestuurders van een bromfiets.

De politie kan dit ook vorderen als je de verkeersveiligheid ernstig in gevaar bracht.

Na een snelheidsmeting op een [autoweg](/begrippen/autoweg) houdt de politie je staande. Je reed ruim 50 km/u boven de limiet. Jij geeft je rijbewijs direct af op eerste vordering. Dat doe je omdat bij een overschrijding van 50 km/u of meer, door een bestuurder van een [motorrijtuig](/begrippen/motorrijtuig) anders dan een bromfiets, bij staandehouding afgifte verplicht is.

Bron: **Wegenverkeerswet 1994, artikel 164**1 Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdelen a en b , bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, tegen wie door een van die personen proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem daar een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs. 2 De in het eerste lid bedoelde vordering wordt gedaan in geval van overtreding van: a. artikel 8 , indien bij een onderzoek als bedoeld in het tweede lid, van die bepaling blijkt of, bij ontbreken van een dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van de bestuurder hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed; b. artikel 8 , indien bij een onderzoek als bedoeld in het derde of vierde lid, aanhef en onderdeel b, juncto het derde lid, van die bepaling blijkt of, bij het ontbreken van een dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 350 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van de bestuurder hoger blijkt te zijn dan 0,8 milligram alcohol per milliliter bloed; c. artikel 163, tweede, zesde of zevende lid ; d. overschrijding van een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid met vijftig kilometer of meer, door een bestuurder van een motorrijtuig anders dan een bromfiets, in geval van staandehouding van de bestuurder; e. overschrijding van een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid met dertig kilometer of meer door een bestuurder van een bromfiets, in geval van staandehouding van de bestuurder. 3 De in het eerste lid bedoelde vordering kan worden gedaan indien door de overtreding de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht. 4 De ingevorderde bewijzen worden tegelijk met het proces-verbaal onverwijld opgezonden aan de officier van justitie. In de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b, d, of e, of indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in het tweede of derde lid zal begaan, is de officier van justitie bevoegd de ingevorderde bewijzen onder zich te houden totdat de strafbeschikking onherroepelijk is geworden, de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die strafbeschikking of uitspraak de bestuurder de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen onvoorwaardelijk is ontzegd, tot het tijdstip waarop de ontzegging is verstreken. 5 De officier van justitie is bevoegd de toepassing van de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid te schorsen indien: a. de geldigheid van de bewijzen ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a , voor alle categorieën van motorrijtuigen waarvoor zij zijn afgegeven, wordt geschorst; b. de bewijzen ingevolge artikel 124 voor alle categorieën van motorrijtuigen waarvoor zij zijn afgegeven, ongeldig worden verklaard voor een bepaald deel van de geldigheidsduur; c. een rechterlijke uitspraak of strafbeschikking waarbij de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. De schorsing duurt voort zolang de bewijzen ingevolge de onderdelen a, b en c ongeldig zijn. 6 Indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij de ingevorderde bewijzen onverwijld terug aan de houder. Teruggave vindt eveneens plaats, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de houder in geval van veroordeling door de rechter dan wel uitvaardiging van een strafbeschikking geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur dan de tijd gedurende welke de bewijzen zijn ingevorderd of ingehouden geweest. Teruggave vindt ten slotte plaats indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen, dan wel binnen die termijn geen strafbeschikking is uitgevaardigd. Het rijbewijs wordt niet aan de houder teruggegeven, indien het een rijbewijs betreft waarvan ingevolge een der artikelen 130, tweede lid , of 164 de overgifte is gevorderd, waarvan ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering is gevorderd of ten aanzien waarvan ingevolge een der artikelen 120, derde lid , 123b, vierde lid , 124, vierde lid , 131, tweede lid, onderdeel b , 132, vijfde lid , 134, vierde lid , of 180, vierde lid , een verplichting tot inlevering bestaat. Het rijbewijs wordt in dat geval doorgeleid naar degene bij wie de houder dat rijbewijs had dienen in te leveren. 7 In geval van toepassing van het eerste lid kan het motorrijtuig, voor zover geen andere bestuurder beschikbaar is of de bestuurder niet aanstonds voldoet aan de vordering, onder toezicht of, voor zover degene die het proces-verbaal opmaakt zulks nodig oordeelt, in bewaring worden gesteld. In het laatste geval zijn de artikelen 170, tweede lid, tweede en derde volzin, vierde en vijfde lid , 171 , 172 en 173, eerste lid, van deze wet en de artikelen 4:116 , 4:118 tot en met 4:124 , 5:10 , 5:25, eerste en zesde lid , 5:29, tweede en derde lid , 5:30, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. Teruggave van het motorrijtuig vindt slechts plaats indien aan de vordering is voldaan of indien de officier van justitie zich niet langer tegen de teruggave verzet. 8 In geval van toepassing van het eerste of vierde lid kan elke belanghebbende bij klaagschrift daartegen opkomen. Zolang in de zaak nog geen vervolging is ingesteld, wordt het klaagschrift ingediend ter griffie van de rechtbank in het arrondissement waar het in het eerste lid bedoelde feit werd begaan, en anders ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de vervolging plaatsvindt of, in geval van verzet tegen een uitgevaardigde strafbeschikking, zou worden voortgezet, dan wel het laatst plaatsvond. [Lees het artikel op wetten.overheid.nl](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622/2026-07-01#Artikel164)

## Na invordering: wat gebeurt er met je rijbewijs en auto

Na invordering beslist de officier van justitie over inhouden of teruggeven, kan je voertuig in bewaring worden gesteld en kun je in bepaalde gevallen klagen tegen de maatregel.

Je ingevorderde rijbewijs gaat met het proces-verbaal naar de officier van justitie. Die kan het onder zich houden tot de beslissing of uitspraak onherroepelijk is. Of tot het einde van een opgelegde ontzegging.

Binnen tien dagen na de dag van invordering beslist de officier. Houdt hij het niet onder zich, dan krijg je het direct terug. De wet noemt uitzonderingen waarin teruggave niet plaatsvindt.

Is er geen andere bestuurder, of voldoe je niet meteen aan de vordering? Dan gaat je voertuig onder toezicht of in bewaring. Teruggave volgt als je aan de vordering voldoet of de officier zich niet langer verzet.

Elke belanghebbende kan klagen bij de aangewezen rechterlijke instantie. Dat doe je met een klaagschrift tegen de invordering en de beslissingen daarover.

Na staandehouding op een [autoweg](/begrippen/autoweg) vordert de agent je rijbewijs. Je [passagier](/begrippen/passagier) heeft een rijbewijs. Je laat die passagier verder rijden, want zonder andere bestuurder gaat je voertuig in bewaring.

Bron: **Wegenverkeerswet 1994, artikel 164**1 Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdelen a en b , bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, tegen wie door een van die personen proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem daar een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs. 2 De in het eerste lid bedoelde vordering wordt gedaan in geval van overtreding van: a. artikel 8 , indien bij een onderzoek als bedoeld in het tweede lid, van die bepaling blijkt of, bij ontbreken van een dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van de bestuurder hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed; b. artikel 8 , indien bij een onderzoek als bedoeld in het derde of vierde lid, aanhef en onderdeel b, juncto het derde lid, van die bepaling blijkt of, bij het ontbreken van een dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 350 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van de bestuurder hoger blijkt te zijn dan 0,8 milligram alcohol per milliliter bloed; c. artikel 163, tweede, zesde of zevende lid ; d. overschrijding van een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid met vijftig kilometer of meer, door een bestuurder van een motorrijtuig anders dan een bromfiets, in geval van staandehouding van de bestuurder; e. overschrijding van een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid met dertig kilometer of meer door een bestuurder van een bromfiets, in geval van staandehouding van de bestuurder. 3 De in het eerste lid bedoelde vordering kan worden gedaan indien door de overtreding de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht. 4 De ingevorderde bewijzen worden tegelijk met het proces-verbaal onverwijld opgezonden aan de officier van justitie. In de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b, d, of e, of indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in het tweede of derde lid zal begaan, is de officier van justitie bevoegd de ingevorderde bewijzen onder zich te houden totdat de strafbeschikking onherroepelijk is geworden, de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die strafbeschikking of uitspraak de bestuurder de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen onvoorwaardelijk is ontzegd, tot het tijdstip waarop de ontzegging is verstreken. 5 De officier van justitie is bevoegd de toepassing van de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid te schorsen indien: a. de geldigheid van de bewijzen ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a , voor alle categorieën van motorrijtuigen waarvoor zij zijn afgegeven, wordt geschorst; b. de bewijzen ingevolge artikel 124 voor alle categorieën van motorrijtuigen waarvoor zij zijn afgegeven, ongeldig worden verklaard voor een bepaald deel van de geldigheidsduur; c. een rechterlijke uitspraak of strafbeschikking waarbij de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. De schorsing duurt voort zolang de bewijzen ingevolge de onderdelen a, b en c ongeldig zijn. 6 Indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij de ingevorderde bewijzen onverwijld terug aan de houder. Teruggave vindt eveneens plaats, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de houder in geval van veroordeling door de rechter dan wel uitvaardiging van een strafbeschikking geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur dan de tijd gedurende welke de bewijzen zijn ingevorderd of ingehouden geweest. Teruggave vindt ten slotte plaats indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen, dan wel binnen die termijn geen strafbeschikking is uitgevaardigd. Het rijbewijs wordt niet aan de houder teruggegeven, indien het een rijbewijs betreft waarvan ingevolge een der artikelen 130, tweede lid , of 164 de overgifte is gevorderd, waarvan ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering is gevorderd of ten aanzien waarvan ingevolge een der artikelen 120, derde lid , 123b, vierde lid , 124, vierde lid , 131, tweede lid, onderdeel b , 132, vijfde lid , 134, vierde lid , of 180, vierde lid , een verplichting tot inlevering bestaat. Het rijbewijs wordt in dat geval doorgeleid naar degene bij wie de houder dat rijbewijs had dienen in te leveren. 7 In geval van toepassing van het eerste lid kan het motorrijtuig, voor zover geen andere bestuurder beschikbaar is of de bestuurder niet aanstonds voldoet aan de vordering, onder toezicht of, voor zover degene die het proces-verbaal opmaakt zulks nodig oordeelt, in bewaring worden gesteld. In het laatste geval zijn de artikelen 170, tweede lid, tweede en derde volzin, vierde en vijfde lid , 171 , 172 en 173, eerste lid, van deze wet en de artikelen 4:116 , 4:118 tot en met 4:124 , 5:10 , 5:25, eerste en zesde lid , 5:29, tweede en derde lid , 5:30, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. Teruggave van het motorrijtuig vindt slechts plaats indien aan de vordering is voldaan of indien de officier van justitie zich niet langer tegen de teruggave verzet. 8 In geval van toepassing van het eerste of vierde lid kan elke belanghebbende bij klaagschrift daartegen opkomen. Zolang in de zaak nog geen vervolging is ingesteld, wordt het klaagschrift ingediend ter griffie van de rechtbank in het arrondissement waar het in het eerste lid bedoelde feit werd begaan, en anders ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de vervolging plaatsvindt of, in geval van verzet tegen een uitgevaardigde strafbeschikking, zou worden voortgezet, dan wel het laatst plaatsvond. [Lees het artikel op wetten.overheid.nl](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622/2026-07-01#Artikel164)

## Niet meewerken aan onderzoek: strafbaar

Werk je niet mee aan adem- of bloedonderzoek, of aan bevelen daarover, dan is dat strafbaar met ten hoogste drie maanden gevangenisstraf of een geldboete van de derde categorie.

Werk je niet mee aan [ademanalyse](/begrippen/ademanalyse) of bloedonderzoek, of negeer je bevelen daarover, dan ben je strafbaar met de genoemde maximale straf of geldboete.

Tijdens een verkeerscontrole langs een [autoweg](/begrippen/autoweg) spreekt een agent je aan. Je krijgt het bevel om mee te werken aan een ademanalyse. Je blaast direct in het apparaat. Dat doe je omdat weigeren of bevelen negeren op zichzelf strafbaar is.

Je denkt misschien dat alleen een te hoge uitslag strafbaar is. Niet meewerken is ook een overtreding, ook als je nuchter bent.

Bron: **Wegenverkeerswet 1994, artikel 176**1 Overtreding van artikel 5a wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie. 2 Overtreding van de artikelen 7, eerste lid, onderdelen a en c , 8 , 9, eerste, tweede, vierde, vijfde, zevende en negende lid en 70m wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie. 3 Overtreding van artikel 41, eerste lid, onderdelen c tot en met f , wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden en geldboete van de derde categorie, hetzij met een van beide voormelde straffen. 4 Overtreding van artikel 11 wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie. 5 Overtreding van de artikelen 7, eerste lid, onderdeel b , 41, eerste lid, onderdelen a en b , 51, eerste lid , 61 , 74 , 114 , 151j , 162, derde en vierde lid , 163, tweede, zesde, zevende en negende lid en van de in artikel 4, tweede en vijfde lid , bedoelde regels voor zover het betreft een verbod tot het gebruik van verlichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie. [Lees het artikel op wetten.overheid.nl](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622/2026-07-01#Artikel176)

## Ook een rijschool nodig?

De theorie leer je hier gratis. Voor de rijlessen heb je een rijschool nodig. Op Ribba vergelijk je rijscholen op het slagingspercentage van het CBR, het prijsniveau en de beoordelingen van eerdere leerlingen.

[Rijscholen vergelijken](/rijscholen)

---
Bron: https://ribba.nl/gratis-theorie-leren/wetgeving — Wetgeving | Gratis theorie leren | Ribba
