<!-- Machine-leesbare versie van https://ribba.nl/begrippen/motorrijder -->

> Een motorrijder is de bestuurder van een motorfiets: een motorvoertuig op twee wielen, eventueel met zijspan of aanhangwagen. Als motorrijder val je onder de regels voor motorvoertuigen.

# Motorrijder

![motorrijder in het verkeer](/begrippen/motorrijder.webp?v=06379e53)

Een motorrijder is de bestuurder van een motorfiets: een motorvoertuig op twee wielen, eventueel met zijspan of aanhangwagen. Als motorrijder val je onder de regels voor motorvoertuigen.

[Motorfiets](/begrippen/motorfiets) en motorrijder horen bij elkaar. Bestuur jij een motorfiets, dan ben je motorrijder. Een motorfiets is een [motorvoertuig](/begrippen/motorvoertuig) op twee wielen; met zijspan of een kleine aanhangwagen blijft het een motorfiets. Veel grotere scooters met geel kenteken behoren ook tot de motorfietsen. Driewielige motorvoertuigen vormen een aparte categorie; de bestuurder daarvan is strikt genomen geen motorrijder. Let op het verschil met andere tweewielers: een bromfiets en een [snorfiets](/begrippen/snorfiets) zijn geen motorvoertuigen en hun bestuurders zijn dus geen motorrijders. Een speed-pedelec is juridisch een bromfiets. Gehandicaptenvoertuigen zijn weer een eigen groep met andere regels.

Als motorrijder gebruik je de rijbaan en de gewone rijstroken. Je rijdt niet op het [fietspad](/begrippen/fietspad), het fiets/bromfietspad of de [fietsstrook](/begrippen/fietsstrook). Wegen met bord [G1](/verkeersborden/g1) en [G3](/verkeersborden/g3) mag je gebruiken als je voertuig en de situatie dat toelaten; let op eventuele toegangsverboden en snelheidsvereisten. Een [busbaan](/begrippen/busbaan) of [busstrook](/begrippen/busstrook) gebruik je alleen als borden of onderborden dat toestaan. Een [vluchtstrook](/begrippen/vluchtstrook) of [vluchthaven](/begrippen/vluchthaven) gebruik je alleen in noodgevallen of wanneer die als [spitsstrook](/begrippen/spitsstrook) open is. Over een [verdrijvingsvlak](/begrippen/verdrijvingsvlak) of puntstuk rijd je niet, behalve als de [markering](/begrippen/markering) of borden het toestaan, bijvoorbeeld wanneer een spitsstrook is opengesteld.

Inhalen doe je in principe links. Rechts inhalen of voorbijrijden mag alleen in specifieke situaties. Bij een tram geldt dat je in beginsel rechts voorbijgaat; links mag alleen als rechts onvoldoende ruimte is. Rechts voorbijrijden mag ook langs een bestuurder die duidelijk links voorsorteert of links afslaat. Bij [filevorming](/begrippen/filevorming) op meerdere rijstroken in dezelfde richting mag je rechts sneller rijden dan links, zolang je op je eigen rijstrook blijft. Voor automobilisten is het belangrijk te weten dat motoren smal en kwetsbaar zijn en sneller accelereren; controleer daarom extra je spiegels en [dode hoek](/begrippen/dode-hoek), geef tijdig richting aan en houd ruim afstand.

## Wat je moet onthouden

-   Je bent motorrijder wanneer je een motorfiets bestuurt; dat is een motorvoertuig op twee wielen, eventueel met zijspan of aanhangwagen.
-   Je rijdt op de rijbaan en gebruikt de normale rijstroken, niet de fietsstrook, het fietspad of het fiets/bromfietspad.
-   Wegen met bord [G1](/verkeersborden/g1) en [G3](/verkeersborden/g3) mag je gebruiken als je voertuig en de situatie dat toelaten; volg eventuele toegangsverboden en snelheidsvereisten.
-   Een busbaan of busstrook gebruik je alleen als borden of onderborden dat uitdrukkelijk toestaan.
-   Een vluchtstrook of vluchthaven gebruik je alleen bij nood of wanneer die als spitsstrook is opengesteld.
-   Over een verdrijvingsvlak of puntstuk rijd je niet, behalve als de markering of borden dat toestaan, zoals bij een opengestelde spitsstrook.
-   Inhalen is in principe links.
-   Rechts inhalen of voorbijrijden mag alleen: bij een tram in beginsel rechts, en links alleen als rechts onvoldoende ruimte is; rechts langs een duidelijk links voorgesorteerde of links afslaande bestuurder; bij filevorming op meerdere rijstroken in dezelfde richting, zolang je op je eigen rijstrook blijft.
-   Bromfiets, snorfiets en speed-pedelec zijn geen motorvoertuigen; hun bestuurders zijn geen motorrijders en volgen andere plaats-op-de-weg-regels.
-   Een driewielig motorvoertuig is geen motorfiets; de bestuurder daarvan is niet de motorrijder in strikte zin, al gelden veel algemene regels voor motorvoertuigen wel.

## Misverstanden

-   Iedere scooterbestuurder is een motorrijder. Niet waar: alleen motorfietsen (meestal met geel kenteken) horen hierbij; snorfietsen en veel bromscooters niet.
-   Een motor mag op de fietsstrook of het fiets/bromfietspad rijden. Onjuist: je gebruikt de rijbaan en de gewone rijstroken.
-   Je mag een tram links inhalen. Onjuist: in beginsel ga je rechts langs een tram; links alleen als rechts onvoldoende ruimte is.
-   Over een puntstuk of verdrijvingsvlak mag je nooit rijden. Te stellig: dit mag alleen als markering of borden het toestaan, bijvoorbeeld bij een opengestelde spitsstrook.
-   De vluchtstrook mag je gebruiken om een file voorbij te rijden. Fout: alleen bij nood of wanneer die als spitsstrook is opengesteld.
-   Een driewielig motorvoertuig valt onder motorrijder. Niet juist: dat is een aparte voertuigcategorie.

## Niet verwarren met

-   [motorfiets](/begrippen/motorfiets) Bij motorrijder gaat het om de persoon die de motorfiets bestuurt, niet om het voertuig zelf.
-   [motorrijtuig](/begrippen/motorrijtuig) Een motorrijder is een persoon die rijdt, geen juridische voertuigcategorie.
-   [motorvoertuig](/begrippen/motorvoertuig) Een motorrijder bestuurt specifiek een motorfiets; dit gaat niet over alle gemotoriseerde voertuigen.

Bron: **Wegenverkeerswet 1994, artikel 1**1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders blijkt, verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat; b. wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten; c. motorrijtuigen: alle voertuigen, bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het voertuig zelf aanwezig dan wel door elektrische tractie met stroomtoevoer van elders, met uitzondering van fietsen met trapondersteuning; d. aanhangwagen: voertuig dat kennelijk is bestemd om te worden voortbewogen door een motorrijtuig. In het bepaalde krachtens deze wet kan onder aanhangwagen tevens worden verstaan een voertuig dat door een ander voertuig wordt voortbewogen of kennelijk is bestemd om door een ander voertuig te worden voortbewogen; e. bromfiets: a. motorrijtuig op twee wielen, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm 3 of een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4 kW, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig als bedoeld in subonderdeel d; b. motorrijtuig op drie wielen, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig als bedoeld in subonderdeel d, uitgerust met: 1°. een motor met elektrische ontsteking met een cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm 3 , 2°. een motor met inwendige verbranding en een netto maximumvermogen van niet meer dan 4 kW voor andere dan onder 1° genoemde motoren, of 3°. een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4 kW; dan wel c. motorrijtuig op vier wielen, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig als bedoeld in subonderdeel d, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h en een ledige massa van minder dan 350 kg, de massa van de batterijen in elektrische voertuigen niet inbegrepen, uitgerust met: 1°. een motor met elektrische ontsteking met een cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm 3 , 2°. een motor met inwendige verbranding en een netto maximumvermogen van niet meer dan 4 kW voor andere dan onder 1° genoemde motoren, of 3°. een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4 kW; d. een motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 25 km/h, uitgerust met een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4 kW, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig, waarvoor geen typegoedkeuring overeenkomstig in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen voorschriften vereist is; In ieder geval wordt als bromfiets aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs als bromfiets is aangeduid; ea. fietsen met trapondersteuning: fietsen die zijn voorzien van een elektrische hulpmotor met een nominaal continu vermogen van maximaal 0,25 kW en waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en tenslotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/h bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen; f. verordening (EU) 167/2013: Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (PbEU 2013, L 60) en de op die verordening gebaseerde uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen; fa. verordening (EU) 168/2013: Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2013, L 60) en de op die verordening gebaseerde uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen; fb. verordening (EU) 2018/858: Verordening (EU) nr. 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2018, L 151) en de op die verordening gebaseerde uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen; fc. EU-kaderverordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen: verordening (EU) 167/2013, verordening (EU) 168/2013 of verordening (EU) 2018/858; fd. EU-harmonisatieverordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen: bij ministeriële regeling aangewezen EU-verordening en de op die verordening gebaseerde uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen die als doel heeft harmonisatievoorschriften vast te stellen over een specifiek onderwerp, zoals brandstofgebruik, emissies, technische eisen of veiligheidsvoorschriften, die relevant zijn in het kader van de goedkeuring, op de markt aanbieden, in de handel brengen, registreren en in gebruik nemen van voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn ontworpen en gebouwd of van voorzieningen die ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers zijn ontworpen en gebouwd; fe. EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen: EU-kaderverordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen of EU-harmonisatieverordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen; ff. EU-richtlijn in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen: bij ministeriële regeling aangewezen richtlijn en op die richtlijn gebaseerde uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen; fg. verordening (EU) 2019/1020: Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van Richtlijn 2004/42/EG en de Verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011 (PbEU 2019, L 169); fh. verordening (EU) 2020/740: Verordening (EU) 2020/740 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 2020 inzake de etikettering van banden met betrekking tot hun brandstofefficiëntie en andere parameters, tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1369 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1222/2009 (PbEU 2020, L 177); fi. marktdeelnemer: fabrikant, vertegenwoordiger van de fabrikant, importeur, distributeur of, indien van toepassing, hetgeen onder marktdeelnemer wordt verstaan in de in de onderdelen f, fa, fb, fd of fg bedoelde verordeningen; fj. Overeenkomst van 1958: Overeenkomst betreffende de vaststelling van geharmoniseerde technische reglementen van de Verenigde Naties voor voertuigen op wielen en voor uitrustingsstukken en onderdelen die daarop kunnen worden gemonteerd en/of gebruikt, en betreffende de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen die krachtens die reglementen van de Verenigde Naties zijn verleend (Trb. 1959/83); g. kenteken: kenteken als bedoeld in artikel 36 of artikel 37, derde lid ; h. kentekenbewijs: kentekenbewijs als bedoeld in artikel 36 dan wel een kentekenbewijs, afgegeven ter zake van de opgave van een kenteken als bedoeld in artikel 37, derde lid ; i. kentekenregister: register, bedoeld in artikel 42 ; j. keuringsbewijs: keuringsbewijs als bedoeld in artikel 72 ; k. keuringsrapport: keuringsbewijs of een beschikking tot weigering van de afgifte van een keuringsbewijs; l. kwalificatiekaart bestuurder: kwalificatiekaart bestuurder als bedoeld in artikel 151b, onderdeel i ; m. rijbewijs: rijbewijs, bedoeld in artikel 107 ; n. rijbewijzenregister: register, bedoeld in artikel 126 ; o. bestuurder van een motorrijtuig: degene die het motorrijtuig bestuurt of degene die, overeenkomstig de bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarde, wordt geacht het motorrijtuig onder zijn onmiddellijk toezicht te doen besturen; p. houder van een motorrijtuig of een aanhangwagen: degene die het voertuig: 1°. op grond van een overeenkomst van huurkoop onder zich heeft, 2°. in vruchtgebruik heeft, of 3°. anderszins, anders dan als eigenaar of bezitter, tot duurzaam gebruik onder zich heeft; q. Dienst Wegverkeer: de in artikel 4a bedoelde dienst; r. het CBR: het in artikel 4z bedoelde bureau; s. nationale typegoedkeuring of -individuele goedkeuring: goedkeuring als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel b ; t. VN/ECE-goedkeuring: goedkeuring als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel c ; ta. kwetsbare weggebruikers: niet-gemotoriseerde weggebruikers, zoals fietsers en voetgangers en weggebruikers die gebruik maken van gemotoriseerde voertuigen zoals twee- of driewielers; u. schadevoertuig: voertuig dat ten gevolge van een beschadiging niet langer deugdelijk van bouw en inrichting is; v. basiserkenning: basiserkenning als bedoeld in artikel 4aua, eerste lid ; w. erkenning voor specifieke handelingen: erkenning als bedoeld in artikel 4aud, eerste lid ; x. erkenninghouder: natuurlijke persoon of rechtspersoon waaraan een basiserkenning in combinatie met één of meer erkenningen voor specifieke handelingen is verleend; y. bewegwijzering: verkeerstekens die worden geplaatst of verwijderd teneinde weggebruikers in staat te stellen hun afstand tot of route naar een bestemming te bepalen; z. begeleiden: het actief coachen, het geven van suggesties ter verbetering van het rijgedrag, het wijzen op fouten en onzorgvuldigheden in het rijgedrag van de bestuurder van een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B die op de leeftijd van zeventien jaren zijn rijbewijs B heeft behaald totdat die bestuurder de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt; za. begeleider: op de begeleiderspas vermelde persoon die is gezeten op de zitplaats naast de bestuurder die de bestuurder van een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B die overeenkomstig artikel 111a, eerste lid , zijn rijbewijs B heeft verkregen begeleidt; zb. begeleiderspas: pas die aan een persoon is afgegeven die op de leeftijd van zeventien jaren zijn rijbewijs B heeft behaald en waarop de naam van zijn begeleiders is vermeld. 2 Indien de eigenaar van een motorrijtuig of een aanhangwagen niet tevens bezitter is, treedt de bezitter voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet voor de eigenaar in de plaats. 3 Degene aan wie een kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig of een aanhangwagen wordt, tenzij anders blijkt, voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet beschouwd als eigenaar of houder van dat motorrijtuig of die aanhangwagen. 4 Voor de toepassing van de hoofdstukken III tot en met V van deze wet worden vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid mede als rechtspersoon aangemerkt. [Lees het artikel op wetten.overheid.nl](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622/2026-07-01#Artikel1) **Wegenverkeerswet 1994, artikel 4z**1 Er is een Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, in het maatschappelijk verkeer aangeduid als CBR. Het bureau bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Rijswijk. 2 Op het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing, met uitzondering van artikel 15 van die wet . Artikel 4z1 Bij de toepassing van de taken op het gebied van de beoordeling van de rijvaardigheid, neemt het CBR de bij ministeriële regeling aangewezen richtlijn, of de aangewezen onderdelen daarvan, in acht. Paragraaf 2. Taken van het CBR Artikel 4aa 1 Het CBR is belast met de volgende taken: a. het beoordelen van de rijvaardigheid; b. het beoordelen van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen; c. het opleggen van onderzoeken naar de rijvaardigheid en de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van houders van rijbewijzen ten aanzien van wie een vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid of geschiktheid bestaat; d. het opleggen van educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen; e. \[Red: vervallen;\] f. het schorsen van de geldigheid van rijbewijzen; g. het ongeldig verklaren van rijbewijzen; h. het verlenen van ontheffingen als bedoeld in artikel 149, tweede lid ; i. het afgeven van gehandicaptenparkeerkaarten aan aanvragers die niet als ingezetene zijn ingeschreven in de basisregistratie personen; j. het beoordelen van de vakbekwaamheid van bestuurders in het goederen- en personenvervoer over de weg; k. het erkennen van opleidingscentra voor het verrichten van nascholing en het certificeren van cursussen met betrekking tot vakbekwaamheid bestuurders goederen- en personenvervoer over de weg en het registreren van nascholing; l. het houden van toezicht op de naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit de in onderdeel k bedoelde erkenningen; m. het uitreiken van certificaten die aantonen dat een bestuurder als bedoeld in artikel 151b, onderdeel b , een aantal uren nascholing heeft gevolgd, maar de nascholing nog niet met goed gevolg heeft voltooid; n. het ongeldig verklaren van getuigschriften van vakbekwaamheid en getuigschriften van nascholing als bedoeld in artikel 151b, onderdelen d en f ; o. het verwerken van gegevens, waaronder mede begrepen gegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15, van de Algemene verordening gegevensbescherming, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken waarmee het CBR bij of krachtens deze wet is belast, alsmede van de taken waarmee het CBR bij of krachtens andere wetten is belast; p. het met inachtneming van artikel 4am vaststellen van de tarieven, alsmede het vaststellen van de wijze van betaling van deze tarieven, voor het verrichten van taken waarvoor het CBR bij of krachtens deze wet bevoegd is, alsmede voor de bij of krachtens andere wetten opgedragen taken; q. het verstrekken van gegevens voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken waarmee het CBR dan wel andere organisaties bij of krachtens deze wet zijn belast; r. het in stand houden en beheren van een systeem waarin rijscholen kunnen worden ingeschreven, franchiserelaties tussen rijscholen en overdrachten van rijscholen kunnen worden geregistreerd en waarmee rijscholen examens bij het CBR kunnen reserveren; s. het informeren van rijscholen over relevante ontwikkelingen voor hun taakuitvoering. 2 Bij de toepassing van de taken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, neemt het CBR de bij ministeriële regeling aangewezen richtlijn of de aangewezen onderdelen daarvan, in acht. 3 Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen c tot en met g, wordt onder rijbewijzen mede verstaan rijbewijzen, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is. 4 Voorts is het CBR belast met: a. de bij of krachtens andere wetten opgedragen taken, en b. andere bij regeling van Onze Minister opgedragen taken waarbij regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de tarieven van deze taken. Artikel 4ab Beleidsregels omtrent de uitoefening van de bij of krachtens andere wetten dan deze wet aan het CBR opgedragen taken worden door Onze Minister vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister(s) wie het aangaat. Paragraaf 3. De organen Artikel 4ac Het CBR heeft een directie en een raad van toezicht. Artikel 4ad 1 De directie bestaat uit maximaal twee leden. 2 Het lidmaatschap van de directie is onverenigbaar met het lidmaatschap van de raad van toezicht. 3 In geval van schorsing of ontstentenis van een lid van de directie voorziet Onze Minister in de waarneming van diens functie. 4 De leden van de directie worden benoemd voor een tijdvak van maximaal vier jaar en zijn aansluitend éénmalig voor een tijdvak van maximaal vier jaar herbenoembaar. In het geval van bijzondere omstandigheden binnen de organisatie van het CBR kan een lid van de directie bij afloop van de tweede benoemingstermijn terstond opnieuw worden benoemd voor een tijdvak van maximaal twee jaar. 5 De directie stelt bij bestuursreglement haar werkwijze vast. Artikel 4ae 1 De directie is belast met de dagelijkse leiding van het CBR. 2 Alle bevoegdheden van het CBR die niet bij of krachtens deze wet aan de raad van toezicht zijn opgedragen, komen toe aan de directie. Artikel 4af 1 De directie vertegenwoordigt het CBR in en buiten rechte. 2 De directie kan onder haar verantwoordelijkheid de vertegenwoordiging, bedoeld in het eerste lid, opdragen aan een of meer directieleden of andere personen. Zij kan bepalen dat deze vertegenwoordiging uitsluitend betrekking heeft op bepaalde onderdelen van de taak van het CBR dan wel op bepaalde aangelegenheden. Artikel 4ag 1 De directie verstrekt de raad van toezicht tijdig de voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen en andere gegevens. 2 De directe legt jaarlijks, en voorts tussentijds indien hiertoe naar het oordeel van de raad van toezicht aanleiding bestaat, aan de raad van toezicht verantwoording af over het door haar gevoerde beleid. Artikel 4ah 1 De raad van toezicht bestaat uit vijf leden, waaronder de voorzitter. 2 Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de leden van de raad van toezicht. 3 Onze Minister benoemt de voorzitter, gehoord de raad van toezicht. 4 De leden van de raad van toezicht hebben op persoonlijke titel zitting in de raad en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 5 De raad van toezicht verschaft Onze Minister alle verlangde inlichtingen, met inachtneming van het door Onze Minister vastgestelde informatiestatuut. Artikel 4ai 1 De voorzitter en de overige leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een tijdvak van vier jaren en zijn aansluitend éénmalig voor een tijdvak van vier jaren herbenoembaar. 2 De leden van de raad van toezicht kan tussentijds op eigen verzoek, dan wel om zwaarwichtige redenen ontslag worden verleend. 3 Zolang in een vacature van de raad van toezicht niet is voorzien, vormen de overblijvende leden de raad van toezicht, met de bevoegdheid van de volledige raad. Betreft het de vacature van de voorzitter dan wijzen de overblijvende leden uit hun midden een lid aan dat tijdelijk als voorzitter fungeert. 4 Indien een lid wordt benoemd ter vervanging van een tussentijds opengevallen plaats, bepaalt Onze Minister het tijdvak van de benoeming. Artikel 4aj 1 De raad van toezicht ziet toe op de werkzaamheden van de directie en staat die met raad terzijde. 2 Goedkeuring door de raad van toezicht behoeven in ieder geval de besluiten van de directie betreffende: a. het reglement, bedoeld in artikel 4an ; b. investeringen die een door de raad van toezicht vast te stellen bedrag te boven gaan; c. wijzigingen in de rechtspositie van het personeel; d. de bij of krachtens deze wet aan Onze Minister uit te brengen rapportages. 3 Onze Minister kan bepalen dat de directie de voorafgaande instemming behoeft van de raad van toezicht voor een beslissing als bedoeld in artikel 32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen of dat de directie, ingeval Onze Minister een beslissing als bedoeld in dat artikel aan zijn voorafgaande instemming heeft onderworpen, die beslissing pas aan hem kan voorleggen nadat de raad van toezicht heeft verklaard tegen die beslissing geen bedenkingen te hebben. 4 De directie behoeft in elk geval de voorafgaande instemming van de raad van toezicht voor de besluiten betreffende: a. de begroting; b. de vaststelling van de tarieven, bedoeld in artikel 4aa, eerste lid, onderdeel p , de tarieven die voortvloeien uit artikel 4aa, derde lid, onderdeel b, alsmede de wijze van betaling van deze tarieven; c. het jaarverslag en de jaarrekening; d. het bestuursreglement, bedoeld in artikel 4ad, vijfde lid ; e. het financiële meerjarenbeleidsplan; f. het sluiten van overeenkomsten van zwaarwegend belang. 5 De in het vierde lid, onderdelen e en f genoemde besluiten behoeven de goedkeuring van Onze Minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. 6 De raad van toezicht kan geen rechtsgeldige besluiten nemen indien niet ten minste de meerderheid van de leden ter vergadering aanwezig is. 7 De raad van toezicht stelt bij reglement zijn werkwijze vast. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister. 8 De vergaderingen van de raad van toezicht zijn niet openbaar. Artikel 4ak 1 Onze Minister kan aan de leden van de raad van toezicht, ten laste van het CBR, een vergoeding toekennen voor hun werkzaamheden. 2 De leden van de raad van toezicht hebben aanspraak op vergoeding van de door hen in de uitoefening van hun functie gemaakte reis- en verblijfkosten. 3 De raad van toezicht heeft een eigen secretariaat; de kosten daarvan komen ten laste van het CBR. Paragraaf 4. Financiële bepalingen Artikel 4al De inkomsten van het CBR bestaan uit: a. de opbrengsten van de tarieven en overige heffingen; b. vergoedingen voor verrichte diensten; c. andere baten hoe ook genoemd. Artikel 4am De hoogte van de tarieven, bedoeld in artikel 4aa, eerste lid, onderdeel p wordt gerelateerd aan de met de uitvoering van de taak redelijkerwijs gemoeide kosten. Artikel 4an De directie stelt bij reglement richtlijnen vast voor het voeren van een ordelijk financieel beheer van het CBR. Artikel 4ao Het boekjaar van het CBR valt samen met het kalenderjaar. Artikel 4ap 1 De directie dient het financiële meerjarenbeleidsplan, waarmee de raad van toezicht heeft ingestemd, voor 1 oktober voorafgaande aan het boekjaar, in bij Onze Minister. 2 Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld over de inrichting van het financiële meerjarenbeleidsplan en kunnen aandachtspunten worden vastgesteld voor de accountantscontrole. Paragraaf 5. Overige bepalingen Artikel 4aq 1 Onze Minister stelt regels over de uitoefening van het toezicht op het CBR door Onze Minister en de raad van toezicht. 2 Onze Minister verstrekt het CBR de inlichtingen die het CBR voor zijn taakuitoefening redelijkerwijs nodig heeft. 3 Onze Minister stelt een informatiestatuut vast. Het informatiestatuut bevat inhoudelijke en procedurele voorschriften met betrekking tot de informatie-uitwisseling tussen Onze Minister en het CBR. Artikel 4ar 1 Waar in deze wet dan wel de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen de goedkeuring van Onze Minister is vereist, verleent dan wel onthoudt deze die goedkeuring binnen zes weken na de datum van ontvangst van de aan goedkeuring onderhevige stukken. 2 Met goedkeuring wordt gelijkgesteld het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn zonder dat de goedkeuring is verleend of onthouden. Artikel 4as 1 Waar ingevolge deze wet de goedkeuring dan wel de instemming door de raad van toezicht is vereist, verleent of onthoudt deze die goedkeuring dan wel die instemming binnen zes weken na de datum van ontvangst van de aan goedkeuring dan wel instemming onderhevige stukken. 2 Met goedkeuring dan wel instemming wordt gelijkgesteld het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn zonder dat de goedkeuring dan wel de instemming is verleend of onthouden. Artikel 4at Zolang de begroting niet is goedgekeurd, is de directie gerechtigd gedurende ten hoogste zes maanden van het nieuwe boekjaar voor iedere maand uitgaven te doen ter grootte van 115% van een twaalfde deel van de begroting van het voorafgaande boekjaar. Artikel 4au Indien het CBR een bij of krachtens een andere wet dan deze wet opgedragen taak naar het oordeel van Onze Minister niet langer naar behoren verricht, kan Onze Minister de nodige voorzieningen treffen na overleg met Onze Minister wie het aangaat. Hoofdstuk IBA. Erkenning van bedrijven voor het verrichten van handelingen met betrekking tot de registratie van gegevens in het kentekenregister, de fabricage of registratie van kentekenplaten, de keuring van voertuigen of de inbouw van onderdelen of apparaten in voertuigen Artikel 4aua 1 De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon een basiserkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is gebruik te maken van één of meer erkenningen voor specifieke handelingen die aan die natuurlijke persoon of rechtspersoon wordt of worden verleend. 2 De basiserkenning wordt uitsluitend verleend in samenhang met één of meer erkenningen voor specifieke handelingen. Artikel 4aub 1 De basiserkenning wordt door de Dienst Wegverkeer op aanvraag verleend, indien: a. de rechtspersoon of de onderneming van de natuurlijke persoon is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007 ; b. een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens die niet ouder is dan twee maanden is overgelegd; en c. geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur . 2 Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen. 3 De verklaring omtrent het gedrag die overeenkomstig het eerste lid, onderdeel b, is overgelegd, wordt door de Dienst Wegverkeer vijf jaar bewaard. 4 Met een verklaring omtrent het gedrag wordt gelijkgesteld een verklaring omtrent het gedrag die is afgegeven door een daartoe bevoegde instantie in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, op basis van onderzoekingen of documenten die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat met de nationale onderzoekingen of documenten wordt geboden. 5 Voordat de Dienst Wegverkeer de verlening van de basiserkenning weigert op grond van het eerste lid, onderdeel c, kan hij het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur , om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet vragen. Artikel 4auc 1 Na de afgifte van de basiserkenning overlegt de erkenninghouder eens per drie jaar een verklaring omtrent het gedrag die niet ouder is dan twee maanden. 2 In afwijking van het eerste lid overlegt de erkenninghouder een verklaring omtrent het gedrag die niet ouder is dan twee maanden binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn nadat een bij ministeriële regeling bepaalde gebeurtenis omtrent de onderneming van de erkenninghouder, waaronder in ieder geval de toetreding van een nieuw lid tot het bestuur van een onderneming, zich voordoet. 3 De verklaring omtrent het gedrag die overeenkomstig het eerste lid is overgelegd, wordt door de Dienst Wegverkeer vijf jaar bewaard. Artikel 4aud 1 De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen om te worden gerechtigd tot het verrichten van bij algemene maatregel van bestuur bepaalde handelingen, indien aan die natuurlijke persoon of rechtspersoon een basiserkenning is of tegelijkertijd wordt verleend. Het kan hierbij slechts gaan om handelingen die betrekking hebben op de registratie van gegevens in het kentekenregister, de fabricage of registratie van kentekenplaten, de keuring van voertuigen of de inbouw van onderdelen of apparaten in voertuigen en voor zover de aard van deze handelingen zich niet verzet tegen verrichting ervan door een ander dan de Dienst Wegverkeer. 2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden eisen en voorwaarden gesteld aan de aanvrager voor het verkrijgen respectievelijk behouden van een erkenning voor specifieke handelingen. De eisen betreffen onder meer de voor het verrichten van de desbetreffende handelingen benodigde apparatuur. 3 Bij ministeriële regeling kan de eis worden gesteld dat ingevolge het tweede lid benodigde apparatuur is goedgekeurd door een door Onze Minister aan te wijzen keuringsinstelling en met de in die regeling vast te stellen periodiciteit is onderzocht door deze keuringsinstelling dan wel door een door deze keuringsinstelling erkende onderzoeksgerechtigde. Bij die ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot de erkenning van onderzoeksgerechtigden. 4 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat middelen die worden gebruikt om de in het derde lid bedoelde apparatuur voor gebruik geschikt te maken zijn gecertificeerd door een door die keuringsinstelling erkende instelling en kunnen regels worden gesteld met betrekking tot die erkenning. 5 Een erkenninghouder verwerkt persoonsgegevens voor zover dat noodzakelijk is om de bij de erkenning behorende taken en bevoegdheden te kunnen verrichten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen over de verwerking nadere regels worden gesteld. Artikel 4aue 1 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat handelingen in het kader van een erkenning voor specifieke handelingen met betrekking tot de keuring of inbouw van onderdelen of apparaten in voertuigen alleen worden verricht door natuurlijke personen die daartoe bevoegd zijn. 2 De Dienst Wegverkeer kan bij besluit aan een natuurlijke persoon een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid verlenen. 3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden eisen en voorwaarden gesteld voor het verkrijgen respectievelijk behouden van een bevoegdheid als bedoeld in het tweede lid. Artikel 4auf 1 Een bij de Dienst Wegverkeer in te dienen aanvraag tot verlening van een basiserkenning, een erkenning voor specifieke handelingen of een bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue wordt ingediend op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze. 2 De kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de aanvraag en in verband met het door de Dienst Wegverkeer verrichten van taken en handelingen en het nemen van besluiten als bedoeld in artikel 4b, eerste lid, onderdelen j en k , ten aanzien van erkenningen en bevoegdheden worden door de Dienst Wegverkeer vastgesteld en komen ten laste van de aanvrager onderscheidenlijk erkenninghouder of bevoegde persoon. Artikel 4aug 1 Met het toezicht op de naleving van de uit de basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue voortvloeiende verplichtingen en van de aan de basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue verbonden eisen en voorwaarden zijn belast de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. 2 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. Artikel 4auh 1 De Dienst Wegverkeer trekt een basiserkenning in: a. indien de erkenninghouder daarom verzoekt; b. indien de gegevens die met het oog op de verkrijging van een basiserkenning zijn verstrekt, zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; c. indien de erkenninghouder geen verklaring omtrent het gedrag overlegt overeenkomstig artikel 4auc ; d. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur ; of e. indien de erkenninghouder geen erkenning voor specifieke handelingen meer heeft. 2 Voordat de Dienst Wegverkeer toepassing geeft aan het eerste lid, aanhef en onderdeel d, kan hij het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur , om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet vragen. 3 Een erkenning voor specifieke handelingen vervalt indien de basiserkenning is ingetrokken. 4 Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, is van overeenkomstige toepassing op erkenningen voor specifieke handelingen. 5 De Dienst Wegverkeer trekt een bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue in indien: a. de degene aan wie de bevoegdheid is verleend daarom verzoekt; of b. de gegevens die met het oog op de verkrijging van de bevoegdheid zijn verstrekt, zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest. 6 De Dienst Wegverkeer kan een basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue intrekken of wijzigen indien de erkenninghouder of bevoegde persoon niet of niet meer voldoet aan de eisen voor de erkenning of bevoegdheid of aan de erkenning of bevoegdheid verbonden voorwaarden of uit de erkenning of bevoegdheid voortvloeiende verplichtingen niet nakomt of in strijd daarmee handelt. 7 De Dienst Wegverkeer kan voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, aanhef en onderdelen c en d, of het zesde lid, een basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue schorsen voor een door hem daarbij vast te stellen termijn van ten hoogste twaalf weken. Indien een basiserkenning wordt geschorst, worden de erkenningen voor specifieke handelingen van de erkenninghouder voor dezelfde termijn geschorst. 8 Bij de intrekking van een basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue kan de Dienst Wegverkeer bepalen dat een wachttijd geldt voor het aanvragen van een basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid van ten hoogste 30 maanden. Artikel 4aui Het is een ieder aan wie niet een basiserkenning, erkenning voor specifieke handelingen of bevoegdheid als bedoeld in artikel 4aue is verleend, verboden zich op zodanige wijze te gedragen, uit te laten of voor te doen, dat daardoor de indruk kan worden gewekt, dat een zodanige erkenning of bevoegdheid aan hem is verleend. Hoofdstuk IC. Toezicht op keuringsinstellingen en onderzoeksgerechtigden Artikel 4av 1 Keuringsinstellingen, aangewezen ingevolge de artikelen 4aud, derde en vierde lid , en 71a en de ingevolge deze artikelen erkende onderzoeksgerechtigden en instellingen, verstrekken desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen die deze ten behoeve van zijn taakuitoefening nodig oordeelt. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze noodzakelijk is. 2 Onze Minister kan aan de in het eerste lid bedoelde keuringsinstellingen, onderzoeksgerechtigden en instellingen aanwijzingen van algemene aard geven met betrekking tot de uitvoering van de taak waarvoor zij zijn aangewezen. 3 Onze Minister kan tarieven vaststellen die de in het eerste lid bedoelde keuringsinstellingen, onderzoeksgerechtigden en instellingen ten hoogste mogen berekenen voor de door hen verrichte werkzaamheden in het kader van de uitvoering van de taak waarvoor zij zijn aangewezen. Daarbij kunnen voor verschillende werkzaamheden verschillende tarieven worden vastgesteld. 4 Indien een keuringsinstelling als bedoeld in het eerste lid naar het oordeel van Onze Minister haar taak verwaarloost, kan Onze Minister de aanwijzing intrekken. 5 Over de uitoefening van het toezicht op keuringsinstellingen, onderzoeksgerechtigden en instellingen als bedoeld in het eerste lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld. Hoofdstuk II. Verkeersgedrag § 1. Gedragsregels [Lees het artikel op wetten.overheid.nl](https://wetten.overheid.nl/BWBR0006622/2026-07-01#Artikel4z) **Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), artikel 1**In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: aanhangwagens : voertuigen die door een voertuig worden voortbewogen of kennelijk bestemd zijn om aldus te worden voortbewogen, alsmede opleggers; ambulance: een voor het verlenen van zorg aan en vervoer van zieken en gewonden ingericht motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen ; autobus : motorvoertuig, ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen; autosnelweg : weg, aangeduid door bord G1 van bijlage I ; langs autosnelwegen gelegen parkeerplaatsen, tankstations en bushalteplaatsen maken geen deel van de autosnelweg uit; autoweg : weg, aangeduid door bord G3 van bijlage I ; langs autowegen gelegen parkeerplaatsen, tankstations en bushalteplaatsen maken geen deel van de autoweg uit; bedrijfsauto : bedrijfsauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen ; bestelauto : motorvoertuig, bestemd voor het vervoer van goederen, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg; bestemmingsverkeer : bestuurders wier reisdoel één of meer bepaalde percelen betreft die zijn gelegen aan of in de directe nabijheid van een weg met een door verkeerstekens aangegeven geslotenverklaring voor bepaalde categorieën bestuurders en die slechts via deze weg zijn te bereiken alsmede bestuurders van lijnbussen; bestuurders : alle weggebruikers behalve voetgangers; bestuurder van een motorvoertuig : 1. hij die het motorvoertuig bestuurt of 2. voor zover het betreft een motorvoertuig voor het besturen waarvan een rijbewijs AM, B, C, D of E, is vereist en dat is voorzien van een dubbele bediening, hij die rijonderricht geeft of toezicht houdt in het kader van een vanwege de overheid ingesteld onderzoek naar de rijvaardigheid, niet zijnde een onderzoek als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet ; bevoegd gezag : gezag als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de wet ; brombakfiets : bromfiets op drie symmetrisch geplaatste wielen, met twee voorwielen en uitsluitend ingericht voor het vervoer van de bestuurder en van goederen en eventueel van een achter de bestuurder gezeten passagier; brommobiel : bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een carrosserie; busbaan : rijbaan waarop het woord «BUS» of «LIJNBUS» is aangebracht; busstrook : door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop het woord «BUS» of «LIJNBUS» is aangebracht; dag : de periode tussen zonsopgang en zonsondergang; diensten voor spoedeisende medische hulpverlening: de op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen aangewezen Regionale Ambulancevoorzieningen, alsmede andere hulpverleningsdiensten die zich in opdracht van een Regionale Ambulancevoorziening als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen bezig houden met het verlenen van spoedeisende medische hulpverlening; dierenambulance : motorvoertuig, ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke en gewonde dieren; doorgaande rijbaan : rijbaan zonder de invoeg- en uitrijstroken; driewielig motorvoertuig : driewielig motorrijtuig als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen ; fietsstrook : door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop afbeeldingen van een fiets zijn aangebracht; gehandicaptenvoertuig : voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 meter en niet is uitgerust met een motor, dan wel is uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt, en geen bromfiets is; geslotenverklaring : verbod de betrokken weg in te rijden of in te gaan alsmede de betrokken weg te gebruiken; haaientanden : voorrangsdriehoeken op het wegdek; invoegstrook : door een blokmarkering van de doorgaande rijbaan afgescheiden weggedeelte dat is bestemd voor bestuurders die de doorgaande rijbaan oprijden; kampeerwagen: kampeerwagen als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen ; kruispunt : kruising of splitsing van wegen; ligplaats: ligplaats als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen ; lijnbus : motorvoertuig, gebezigd voor het verrichten van openbaar vervoer in de zin van de Wet personenvervoer 2000 ; militaire colonne : een aantal zich achter elkaar bevindende militaire dan wel bij een onderdeel van de rampenbestrijdingsorganisatie in gebruik zijnde motorvoertuigen, onder één commandant, die de door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie vastgestelde herkenningstekens voeren; motorfiets : motorvoertuig op twee wielen al dan niet met zijspan- of aanhangwagen; motorvoertuigen : alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen; nacht : de periode tussen zonsondergang en zonsopgang; overweg : kruising van een weg en een spoorweg die wordt aangeduid door middel van bord J12 of J13 van bijlage 1 ; parkeerhaven of parkeerstrook : langs de rijbaan gelegen verharding die is bestemd voor stilstaande of geparkeerde voertuigen; parkeren : het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen; personenauto : personenauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen ; puntstuk : meerhoekig vlak op het wegdek, opgenomen bij splitsingen of samenvoegingen van wegen, rijstroken of rijbanen; richtlijn 97/24/EG: richtlijn nr. 97/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1997 betreffende bepaalde onderdelen of eigenschappen van motorvoertuigen op twee of drie wielen (PbEG L 226); rijbaan : elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden; rijstrook : door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan van zodanige breedte dat bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen daarvan gebruik kunnen maken; snorfiets : 1. bromfiets die blijkens de gegevens in het kentekenregister is geconstrueerd voor een maximumsnelheid die niet meer bedraagt dan 25 km per uur, met uitzondering van de speed-pedelec, of 2. bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet ; speed-pedelec: elektrische bromfiets met trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht aanhoudt als het voertuig de snelheid van 25 km per uur overschrijdt; spitsstrook : de vluchtstrook die als rijstrook is aangewezen blijkens bord C23-01 van bijlage 1 ; T100-bus : autobus, ten aanzien waarvan uit een aantekening op het kentekenbewijs of uit het kentekenregister blijkt dat hij zodanig is ingericht dat hij in aanmerking komt voor een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur. Met een T100-bus als bedoeld in dit besluit wordt gelijkgesteld een autobus die is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en ten aanzien waarvan uit het kentekenbewijs of uit een verklaring afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling, afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd, blijkt dat de autobus geschikt is voor een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur; uitrijstrook : door een blokmarkering van de doorgaande rijbaan afgescheiden weggedeelte dat is bestemd voor bestuurders die de doorgaande rijbaan verlaten; uitvaartstoet van motorvoertuigen: een stoet, bestaande uit motorvoertuigen, die een lijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de lijkbezorging of de as van een gecremeerd lijk begeleiden en die de in artikel 30c bedoelde herkenningstekens voeren; veiligheidscel : onderdeel van de constructie van een bromfiets, een motorfiets of een driewielig motorvoertuig dat de bestuurder of passagiers beschermt tegen hoofdletsel; verdrijvingsvlak : gedeelte van de rijbaan waarop schuine strepen zijn aangebracht; verkeer : alle weggebruikers; verkeersregelaar : persoon als bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer ; verlicht transparant : verlicht transparant als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen ; vluchthaven of vluchtstrook : door een doorgetrokken streep van de rijbaan van de autosnelweg of autoweg afgescheiden weggedeelte, dat bestemd is voor gebruik in noodgevallen, behoudens voor de duur van openstelling als spitsstrook; voertuigen : fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens; voorrangsvoertuig : motorvoertuig dat de optische en geluidssignalen voert als bedoeld in artikel 29 ; voorrang verlenen : het de betrokken bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen; vrachtauto : motorvoertuig, niet ingericht voor het vervoer van personen, waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg; weggebruikers : voetgangers, fietsers, bromfietsers, bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, van een motorvoertuig of van een tram, ruiters, geleiders van rij- of trekdieren of vee en bestuurders van een bespannen of onbespannen wagen; wet : Wegenverkeerswet 1994 ; zitplaats : zitplaats als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen . [Lees het artikel op wetten.overheid.nl](https://wetten.overheid.nl/BWBR0004825/2026-07-01#Artikel1)

## Waar dit bij hoort

Dit begrip komt aan bod in [Verantwoorde verkeersdeelname en milieubewust rijden](/gratis-theorie-leren/verantwoorde-verkeersdeelname), hoofdstuk 6 van de gratis theoriecursus.

## [Andere begrippen](/begrippen)

-   [motorfiets](/begrippen/motorfiets)
-   [motorolie](/begrippen/motorolie)
-   [motorrijtuig](/begrippen/motorrijtuig)
-   [motorvoertuig](/begrippen/motorvoertuig)
-   [navigatiesysteem](/begrippen/navigatiesysteem)

## Ook een rijschool nodig?

Dit begrip hoort bij de theorie. Die leer je hier gratis, voor de rijlessen heb je een rijschool nodig. Op Ribba vergelijk je rijscholen op het slagingspercentage van het CBR, het prijsniveau en de beoordelingen van eerdere leerlingen.

[Rijscholen vergelijken](/rijscholen)

---
Bron: https://ribba.nl/begrippen/motorrijder — Motorrijder: betekenis en uitleg | Ribba
